Aantekeningen tijdvak 10 geschiedenis

Datum 26 september 2015
Uploader Danique
Niveau HAVO

Een samenvatting van tijdvak 10 voor het vak geschiedenis. Het uittreksel is voor HAVO leerlingen en gaat over dekolonisatie.

Samenvatting downloaden of printen
Stuur jouw samenvatting
Inhoud

Paragraaf 10.1

Dekolonisatie (+/- 1945- +/- 1965)

Koloniën worden onafhankelijk

Oorzaken dekolonisatie.

  • Groeiende verzet tegen het kolonialisme/ nationalisme.
  1. Jaren ’30: opkomst nationalisme in de koloniën. Inheemse leiders volgenden nl. in het Westen een opleiding, alwaar ze in aanraking kwamen met het nationalisme.
  2. WOII: koloniën kregen minder ontzag voor het moederland. EU bleek niet onoverwinnelijk. (zie Japan)
  • Na WOII: EU druk met wederopbouw, EU was nl. verzwakt door de oorlog.
  • Na WOII: opkomst van de VS (kapitalistisch/ democratisch) en de SU (communistisch) als de nieuwe supermachten. Beide landen keurden kolonialisme af.

Verloop dekolonisatie in Azië (+/- 1945 – +/- 1955)

  • India (Gandhi)
  • Eng gaf vrijwillig de kolonie op.
  • Na onafhankelijkheid -> burgeroorlog tussen hindoes en moslims -> moslims stichtten eigen staat. (Pakistan)
  • Indonesië (Soekarno)
  • NL probeerde met geweld (politionele acties) de kolonie te behouden (“Indië verloren, rampspoed geboren’)
  • VS dwongen NL om Indonesie onafhankelijk te verlenen.
  • Vietnam (Ho Chi Minh)
  • Frk probeerde met geweld kolonie te houden en kreeg daarvoor steun van de VS (!). Vs wilden namelijk niet dat Vietnam communistisch werd (zie KO).
  • Uiteindelijk splitsing: N-Vietnam (communistisch) en Z-Vietnam (kapitalistisch/ democratisch).

Verloop dekolonisatie in Afrika (+/- 1955 – +/- 1965)

  • Algerije
  • Frk stond Algerije niet vrijwillig af -> bloedige onafhankelijkheidsoorlog.
  • Rest van Afrika.

In de meeste andere Afrikaanse werd de macht vreedzaam overgedragen.

Paragraaf 10.4

Europese eenwording (na WOII – heden)

  • Van slechts ec’se samenwerking naar samenwerking op vele terreinen (pol, cult, etc.)
  • Van 6 lidstaten naar 27 lidstaten.

Doelen van Europese samenwerking.

  • Bevordering ec’se groei/ wederopbouw.
  • Samenwerking zou een nieuwe oorlog kunnen voorkomen.
  • Vooral DSL niet buitensluiten (zoals na WOI met Verdrag van Versailles), maar met de andere W-EU’se landen verbinden (=Westbindung)
  • Punt 1 en 2 zou het communistische gevaar afwenden.

Aanleiding. Marshallhulp -> EU moest van VS samenwerken om de hulp te verdelen.

Overzicht Europese samenwerking.

EGKS (1951)

  • Ec’se samenwerking -> gemeenschappelijke markt voor kolen en staal.
  • Aantal lidstaten: 6 (DSL, FRK,IT,BENELUX)

EEG (1958)

  • Ec’se samenwerking -> totale gemeenschappelijke markt.
  • Begin Pol’e samenwerking -> oprichting Europese commissie (dagelijks bestuur van EEG en later EU, soort kabinet) en Europees parlement (soort Tweede Kamer).
  • Uiteindelijk uitgebreid tot 12 lidstaten (waaronder Eng en GR’l)

1989= einde Koude Oorlog -> val communistische regimes in Oostblok -> o.a. hereniging Duitsland -> angst voor grote DSL -> besluit = (wederom) DSL niet buitensluiten, maar insluiten ->

EU (1993)

  • Toetreding DSL en andere O-EU’se landen toetreden (EU heeft nu 27 lidstaten).
  • Verdere samenwerking en meer macht Brussel.
  • Invoering Euro (2002).

NB! Een gemeenschappelijke of interne markt =

  • Vrije handel tussen lidstaten. Dat betekent vrij verkeer van productiefactoren (goederen, personen, diensten en kapitaal), er worden onderling geen invoer/ importtarieven geheven).
  • Gemeenschappelijke importtarieven voor niet-lidstaten.

Kortom, geen interne grenzen, wel een gemeenschappelijke externe/ buitenlandse grens.

Paragraaf 10.3 & 10.5

NL’se economie van WOII tot heden.

  • 1945-1955/ jaren ’50 = wederopbouw.
  • Kenmerken= economische schaarste, sober, verzuild, gezagsgetrouw en homogeen.
  • Minister-president Willem Drees zorgde voor de wederopbouw (o.a. mbv. Marshallhulp, geleide loon- en prijspolitiek, stimulering industrialisatie en handel), groeiende welvaart en opbouw verzorgingsstaat.
  • 1955-1973/ jaren ’60 = ontstaan van consumptiemaatschappij.
  • Kenmerken= groeiende welvaar waardoor er talloze sociaal-culturele veranderingen op gang kwamen (zie volgend kopje).
  • 1973/ jaren ’70 en ’80 = oliecrisis en werkloosheid.
  • Kenmerken= stagnatie van de economie vanwege afname industrie door:
  1. Werk werd verplaatst naar lage lonenlanden en
  2. Werk werd geautomatiseerd -> ontstaan werkloosheid.
  • Va 1995/ jaren ’90 = komst van de informatiemaatschappij (post-industriële samenleving)
  • Kenmerken= opnieuw economische groei, i.p.v. industrie nu diensten/ kenniseconomie, opkomst computers en mobiele telefonie.

Sociaal-culturele veranderingen.

De hoge welvaart vanaf de jaren ’60 – en de daarbij horende luxegoederen (televisie, huishoudelijke apparaten, auto, vakantie) en voorzieningen (betere en langere opleidingsmogelijkheden, sociale zekerheid) leidde tot vele sociaal-culturele veranderingen=

  • Ontkerkelijking en ontzuiling. De invloed van de kerk en de traditionele moraal nam af. Bijv. scheiden, homoseksualiteit, onge3huwd samenwonen niet langer taboe.
  • 2e feministische golf. Huishoudelijke apparaten, minder kinderen (o.a. door ‘de pil’), betere opleidingsmogelijkheden -> vrouwen werden hoog opgeleid en gingen werken -> vrouwen wilden gelijke kansen op de arbeidsmarkt en een gelijke verdeling van huishoudelijke taken) zorg voor de kinderen -> man vrouwrelatie veranderde.
  • Opkomst van de jeugdcultuur. TV (Vietnamoorlog is 1e ‘live’ oorlog), popmuziek (nieuwe mode), betere opleidingsmogelijkheden -> hoogopgeleide babyboomers vormden een protestgeneratie ( nooit oorlog of armoede meegemaakt) die zich afzette tegen de gevestigde orde. Vele demonstraties bijv. Dolle mina, Provo, anti Vietnamoorlog.
  • Individu met zijn/ haar behoeftes kwam centraal te staan. Burgers worden zelfstandiger (onafhankelijker door verzorgingsstaat), kritischer en individueler.

Immigratiestromen.

Door immigratie ontstond een pluriforme/ multiculturele samenleving.

  • 1945-1960. Politieke immigranten uit Indonesië (vanwege dekolonisatie)
  • 1960-1965. Economische immigranten (gastarbeiders) uit Spanje, Italië en Griekenland (vanwege welvaart)
  • 1965-1973. Economische immigranten (gastarbeiders) uit Turkije en Marokko).
  • 1975. Politieke immigranten uit Suriname (vanwege dekolonisatie.).
  • 1990. Politieke vluchtelingen uit Irak, Iran, Afghanistan, Joegoslavië.

NB! De toetreding van voormalige Oostblokelanden tot de EU leidde vanaf 2004 tot een massale legale arbeidsmigratie van Oost-Europeanen (zoals Polen) naar West-Europa.

Koude Oorlog (1945-1989/1991)

Het kapitalistische/ democratische Westblok (o.l.v. VS) vs. het communistische Oostblok (o.l.v. SU).

Oorzaken Koude Oorlog (KO)

  1. Ideologisch vijandschap = kapitalisme/ democratie vs. communisme.
  2. Vijandbeeld = overtuiging dat de ander uit was op wereldheerschappij.
  • Zie kopje hieronder.
  VS SU
Politiek Democratie met meerpartijenstelsel/ vrije verkiezingen. Eenpartijstaat van de communistische partij (dictatuur)/ geen vrije verkiezingen.
Economie Kapitalisme met vrij ondernemerschap (wel privébezit. Door de staat geleide planeconomie (geen privébezit).
Verhouding staat/ individu Rechtsstaat waarin het individu/ vrijheid centraal staat. Totalitaire staat waarin het collectief/ ideologie centraal staat.
Sociale verhoudingen Gelaagde samenleving gebaseerd op (met name) inkomen en bezit. Samenleving waarin gelijkheid centraal staat (doel= klasseloze maatschappij).

De VS en de SU hadden over en weer vijandbeelden=

  • VS over SU= De SU is – met haar streven naar een gesloten invloedssfeer én uiteindelijk een communistische revolutie – een gevaar voor de vrije democratische en kapitalistische wereld.
  • SU over VS= De VS wil – met haar streven naar vrijhandel – de wereld in economische opzicht in haar macht hebben (westers imperialisme).

Einde WOII = begin Koude Oorlog.

Na de Duitse aanval op de SU (Operatie Barbarossa) en de Japanse aanval op de VS (Pearl Harbour) behoorden de SU en de VS samen met ENG (de Grote Drie) tot de geallieerden. Tegen het einde van de oorlog verslechterde de verhouding tussen de VS en de SU. In 1945 werd dit duidelijk op de twee conferenties tussen de Grote Drie. Tijdens deze conferenties – waar onderhandeld werd over 1) de vredesregeling met Duitsland en 2) de nieuwe naoorlogse machtsverhoudingen in Europa – liepen de spanningen steeds hoger op.

  • Feb ‘45= Conferentie van Jalta.
  • Besluit= de SU en de Westerse geallieerden kregen de gebieden die ze zelf hadden bevrijd als invloedsfeer= begin blokvorming in Europa.
  • Mei ‘45= capitulatie Duitsland.
  • Met het eind van WOII in zicht hadden de SU en de VS elkaar niet meer nodig…
  • Bovendien was Roosevelt – die Stalin enigszins goed gezind was – gestorven en opgevolgd door Truman.
  • Juli ‘45= Conferentie van Potsdam.
  • Het zou de laatste keer zijn dat Truman/ VS en Stalin/SU elkaar zouden treffen. De verschillen werden onoverbrugbaar. Het streven naar invloedsferen bevestigde voor elk van beide partijen het vijandbeeld van de andere partij. (zie ook kopje hierboven).
  • Aug ‘45= Amerikaanse atoombommen op Japan.

Redenen:

  • Japan dwingen tot snelle overgave.
  • Amerikaans militair overwicht tonen aan SU.

De blokvorming in Europa, die eind WOII was ingezet, werd voltooid eind jaren ’40. Europa werd middels een Ijzeren Gordijn verdeeld in een Amerikaanse en Russische invloedsfeer.

  • 1945= Stalin bracht in Centraal- en Oost- Europese landen (zoals in Polen en Hongarije) communisten aan de macht. Deze landen noemden zich volksdemocratieën, maar waren in feite totalitaire staten die luisterden naar Moskou.
  • 1947= communistische dreiging in Griekenland en Turkije ->
  • 1947= de Amerikaanse president Truman lanceerde de trumandoctrine/ containmentpolitiek = Amerikaanse politiek om het communisme in te dammen door hulp (in de vorm van financiële en/of militaire steun) te geven aan landen die door het communisme werden bedreigd. Voorbeelden:
  • Marshallhulp: financieel programma voor de wederopbouw van West- Europa.
  • Stimuleren van de Europese eenwording.
  • Het verarmde Europa werd door VS namelijk gezien als een voedingsbodem voor het communisme.
  • 1948- 1949= blokkade van West- Berlijn door SU met als doel om heel Berlijn in handen te krijgen. Mislukt door de Westerse luchtbrug.
  • 1949= oprichting NAVO. Dit militaire bondgenootschap van het Westblok werd opgericht met als doel om elkaar te helpen bij een communistische dreiging. In 1955 kreeg het Oostblok eveneens een militair bondgenootschap, het Warschaupact.
  • 1949= deling van Duitsland in West-Duitsland (BRD) en Oost-Duitsland (DDR).

Paragraaf

Jaren ‘50= Koude oorlog in Azië én ‘in de VS’.

De Amerikaanse angst voor het communisme nam in de jaren ’50 een extreme vorm aan. Amerikanen voelden zich zowel van buitenaf (China, Korea, Vietnam) als van binnenuit (-> McCarthyisme) bedreigd door het ‘rode gevaar’. Met de komst van SU-leider Chroesjtsjov kwam er wel enige ‘dooi’ in de Koude Oorlog.

  • 1949= SU ontwikkelde kernwapens => start kernwapenwedloop tussen VS en SU.
  • 1949= China werd communistisch o.l.v. Mao Zedong.
  • 1950= inval Noord-Korea in Zuid-Korea -> VS in paniek = bang voor een Aziatische/ wereldwijde communistische revolutie (zie ook gebeurtenissen hierboven) ->
  • 1950-1953= Korea-Oorlog. Truman paste de containmentpolitiek toe -> VS hielp het kapitalistische Zuid-Korea in de oorlog tegen het communistische Noord-Korea (gesteund door China).
  • 1950-1954: Anticommunistische heksenjacht in de VS waarbij de meeste slachtoffers onterecht werden beschuldigd en hun baan kwijt raakten.
  • 1953= lancering dominotheorie door de Amerikaanse president Eisenhower= als één land in Zuidoost-Azie communistisch zou worden (bijv. Vietnam), werd de hele regio dat. Deze theorie werd het uitgangspunt van het Amerikaanse buitenlandse beleid ->
  • 1954/57-1975= Vietnamoorlog. VS hielp het kapitalistische Zuid-Vietnam in de oorlog tegen het communistische Noord-Vietnam/Vietminh (gesteund door SU en China)
  • 1956= SU-leider Chroesjtsjov koos ‘destalinisatie’ als uitgangspunt van het binnenlandse beleid en ‘vreedzame co-existentie’(kapitalisme en communisme moeten vreedzaam naast elkaar leven) als uitgangspunt van het buitenlandse beleid.
  • 1956= Hongaarse Opstand. Door de SU- politiek van ‘destalinisatie’ en ‘vreedzame co-existentie’ aangemoedigd, kwamen de Hongaren in opstand tegen het totalitaire bewind/ de invloed van de Sovjets in Hongarije. De opstand werd bloedig neergeslagen door troepen van het Warschaupact. Het Westen bleek echter niet bereid tot militaire interventie in de invloedsfeer van de SU.
  • Bestorming van Felix Meritis. Sympathisanten van de Hongaarse Opstand bestormden het partijgebouw van de CPN (Communistische Partij Nederland).

NB! Dat Chroesjtsjov koos voor een politiek van ‘vreedzame co-existentie’ en dat het Westen besloot om niet in te grijpen tijdens de Hongaarse Opstand werd ingegeven door het feit dat beide blokken beseften dat het risico op WOII/ een kernoorlog te groot was paradoxaal leidde de wapenwedloop dus tot wederzijdse afschrikking dus tot een soort van evenwicht/ vrede.

Jaren ‘60= Koude Oorlog in Berlijn, Cuba en Vietnam.

De SU/ Chroesjtsjov liet de politiek van de vreedzame co-existentie begin jaren ’60 een beetje los, waardoor de Koude Oorlog heel ‘heet’ werd. De Berlijncrisis (1961) liep met een sisser af, maar tijdens de Cubacrisis (1962) leek een kernoorlog dichterbij dan ooit.

  • 1961= Berlijncrisis. De SU/ Chroesjtsjov maakte een einde aan de massale uittocht van DDR-burgers naar de BRD door de bouw van de Berlijnse Muur. Het Westen reageerde gematigd kritisch= wilde geen directe confrontatie met de SU/ ingrijpen in Russische invloedsfeer.
  • ‘Ich bin ein Berliner’= toespraak van de Amerikaanse president Kennedy in Berlijn (1963). Kennedy vergeleek in zijn toespraak West-Berlijn met waarden als ‘democratie’ en ‘vrijheid’. Hij maakte duidelijk dat hij deze waarden (en dus West-Berlijn) nooit zou opgeven.
  • 1962= Cubacrisis. De SU/ Chroesjtsjov installeerde op het communistische Cuba raketten als tegenwicht voor de Amerikaanse raketinstallaties in Europa en Turkije. Kennedy eiste dat de raketten op Cuba onmiddellijk werden ontmanteld en blokkeerde de zee rondom Cuba (om Russische schepen met nieuwe wapens tegen te houden). De SU/ Chroesjtsjov weigerde. Uiteindelijk werd een compromis bereikt om imagoschade aan beide kanten te beperken= de SU haalde de raketten uit Cuba weg en de VS de raketten uit Turkije. Om de dreiging van een nucleaire oorlog in de toekomst te verminderen, verbeterde de SU en de VS de onderlinge communicatie (aanleg directe telefoonlijn tussen Witte Huis en Kremlin) en maakten ze afspraken over wapenbeperking -> zie Détente, volgend kopje.
  • 1964= Tonkin-resolutie. Besluit van het Amerikaanse Congres om president Johnson onbeperkte macht te verlenen om militaire acties in Vietnam uit te voeren -> escalatie van het conflict, maar een militaire overwinning bleef uit -> vanaf 1968= massaal protest in binnen- en buitenland (o.a. van de naoorlogse protestgeneratie) tegen de Vietnamoorlog -> de VS probeerden een uitweg uit het conflict te zoeken.
  • 1968= Brezjnev-doctrine. Uitgangspunt van het buitenlands beleid van SU/ Brezjnev. Het betekende dat communistische landen mochten ingrijpen in een ander communistisch land als deze werd bedreigd door democratisering/ kapitalisme. Kortom, de tegenhanger van de Trumandoctrine.
  • 1968= Praagse Lente (vergelijk Hongaarse Opstand). Periode van meer vrijheid en hervormingen in Tsjecho-Slowakije. De SU/ Warschaupact greep in met als rechtvaardiging de Brezjnev-doctrine. Het Westen greep niet in= niet bereid tot militaire interventie in de invloedsfeer van de SU.