Alle Kenmerkende Aspecten van Geschiedenis HAVO

Datum 3 oktober 2015
Uploader Vera
Niveau HAVO

Van alle kenmerkende aspecten is kort opgeschreven wat het antwoord is, dit geeft je een goed overzicht. Thanks voor het opsturen Vera!

Samenvatting downloaden of printen
Stuur jouw samenvatting
Inhoud

Tijdvak 1, tijd van jagers en boeren (tot 3000 v.C.)

  1. De levenswijze van jagers-verzamelaars: de mensheid had een (meestal nomadische) levenswijze waarbij voedsel werd verkregen door jagen en vissen (mannen) en het verzamelen van zaden, noten en vruchten (vrouwen).
  2. Het ontstaan van de landbouw: in plaats van doortrekken op zoek naar eten gingen mensen zich vestigen op één plek waar ze gewassen gingen verbouwen en vee hielden.
  3. Het ontstaan van de eerste steden: door overschotten gingen mensen zich specialiseren en vestigden zich in ommuurde nederzettingen die uitgroeiden tot steden.

Tijdvak 2, tijd van Grieken en Romeinen (3000 v.C.-500)

  1. De ontwikkeling van wetenschappelijk denken en politiek in de Griekse stadstaat: in Griekse stadstaten ontstonden bestuursvormen zoals aristocratie, monarchie en democratie. Filosofen dachten na over de beste bestuursvorm en dachten als eerste op een wetenschappelijke manier na over de natuur en de mens.
  2. De klassieke vormentaal van de Grieks-Romeinse cultuur: De Grieken en Romeinen ontwikkelden in de bouwkunst en beeldhouwkunst nieuwe vormen.
  3. De groei van het Romeinse Imperium waardoor de Grieks-Romeinse cultuur zich ging verspreiden door Europa: het Romeinse rijk breidde zich uit en bereikte grote delen van Europa waardoor de Grieks-Romeinse cultuur overheersend werd.
  4. De confrontatie tussen de Grieks-Romeinse cultuur en de Germaanse cultuur: Germaanse stammen in het noorden van Europa voorkwamen een verdere Romeinse opmars. Later drongen de Germanen het Romeinse rijk binnen en namen de cultuur gedeeltelijk over.
  5. De ontwikkeling van het jodendom en het christendom als eerste monotheïstische godsdiensten: de Joden geloofden als eerste in één god. Het christendom ontstond als stroming binnen het jodendom en groeide uit tot belangrijkste godsdienst in het Romeinse rijk en werd zelfs het staatsgodsdienst.

Tijdvak 3, tijd van monniken en ridders (500-1000):

  1. De verspreiding van het christendom in geheel Europa: tussen 500 en 1000 verspreide het christendom zich buiten de grenzen van het Romeinse Rijk.
  2. Het ontstaan en de verspreiding van de Islam: de Islam werd de derde grote monotheïstische godsdienst. Het was gesticht door Mohammed. Zijn volgelingen veroverden een eeuw na zijn dood grote delen van het Middellandse zee gebied.
  3. De vrijwel volledige vervanging van de agrarisch-urbane cultuur door zelfvoorzienende agrarische cultuur georganiseerd door hofstelsel en horigheid: toen het Romeinse rijk ten onder ging begon het stedelijke leven, handel en nijverheid ook te verdwijnen. Grootgrondbezitters heersten over domeinen waar ze horige boeren lieten werken.
  4. Het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur: vorsten (leenheer) gaven lagere edelen (leenman/vazal) grond en bescherming in ruil voor een eed van trouw.

Tijdvak 4, tijd van steden en staten (1000-1500):

  1. De opkomst van handel en ambacht die de basis legde voor het herleven van een argrarisch-urbane samenleving: de landbouw bracht meer op waardoor handel en ambacht konden herleven en er weer nieuwe steden ontstonden.
  2. De opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van steden: door de specialisatie ontstonden er langzaam steden, de steden konden stadsrechten krijgen via de koning en dus meer vrijheid.
  3. Het conflict in de christelijke wereld over de vraag of de wereldlijke macht of de geestelijke macht het primaat moest hebben: de investituurstrijd; de strijd tussen koning en paus.
  4. De expansie van de christelijke wereld naar buiten toe, onder andere in de vorm van kruistochten: christelijke handelaren en strijders drongen de invloed van de Islam terug. Door kruistochten kon het christelijk geloof verspreid worden.
  5. Het begin van staatsvorming en centralisatie: de koning maakt wetten die voor het gehele volk gelden, ook hief hij belastingen etc. Hij regeerde vanuit 1 centraal punt, meestal de hoofdstad.

Tijdvak 5, tijd van ontdekkers en hervormers (1500-1600):

  1. Het begin van de Europese overzeese expansie: Portugal en Spanje verkenden de kusten van Afrika, Azië en Amerika en stichtten handelsposten en koloniseerden gebieden.
  2. Het veranderende mens en wereldbeeld van de renaissance en het begin van een nieuwe wetenschappelijke belangstelling: het mens en wereldbeeld veranderde. In de Renaissance (wedergeboorte) pikten mensen dingen op vanuit de klassieke oudheid (bijv. Kunst). Door het humanisme gingen mensen zelf nadenken en zelf onderzoeken.
  3. De hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke oudheid: mensen begonnen in de Renaissance kunst en architectuur etc. over te nemen vanuit de klassieke oudheid.
  4. De protestantse Reformatie die splitsing van de christelijke kerk in West-Europa tot gevolg had: door kritiek op de katholieke kerk raakte de christelijke kerk verdeeld in protestanten en rooms-katholieken.
  5. Het conflict in de Nederlanden dat resulteerde in de stichting van een Nederlandse staat: In de Nederlanden begon een opstand tegen de Spaanse koning Filips II. Er was veel onvrede onder de burgers en daardoor kwamen er veel conflicten. Toen de opstand voorbij was werd de Republiek der Verenigde Nederlanden gesticht.

Tijdvak 6, tijd van regenten en vorsten (1600-1700):

  1. Het streven van vorsten naar absolute macht: Lodewijk XIV was een goed voorbeeld van een absolute koning. Niks mocht de macht van de koning beperken, oftewel de koning wilde alle macht hebben.
  2. De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Nederlandse Republiek: de Nederlandse Republiek lag gunstig aan het water want door handel kwam er een grote economische bloei. In cultureel opzicht ook omdat handelaren dingen overnamen vanuit andere landen. Dit was de Gouden eeuw.
  3. Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie: door de handelskapitalisme ontstonden er wereldwijde handelsnetwerken. Specerijen werden goedkoop ingeslagen en met winst verkocht.
  4. De wetenschappelijke revolutie: mensen begonnen te experimenteren waardoor er nieuwe ontdekkingen en uitvindingen ontstonden. Eigen waarneming was erg belangrijk.

Tijdvak 7, tijd van pruiken en revoluties (1700-1800):

  1. Het rationeel optimisme en verlicht denken dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: mensen begonnen te vinden dat alles met je eigen verstand kon worden verklaard, dit werd de Verlichting genoemd.
  2. Het voortbestaan van het ancien régime met pogingen om vorstelijk bestuur een verlichte vorm te geven: de vorsten wilden de macht behouden maar veranderden het denkbeeld van absolutisme, het werd verlicht absolutisme genoemd. Dit betekende voor het volk, maar niet door het volk.
  3. De uitbouw van Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën wat verbonden was met de slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme: Handelaren brachten slaven naar Amerika om te werken op plantages. Abolitionisten streefden naar afschaffing van de slavernij, ze waren beïnvloed door de Verlichting.
  4. De democratische revoluties in de Westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap: in Noord-Amerika, Frankrijk en de Republiek der Nederlanden vonden democratische revoluties plaats. In grondwetten werden burgerrechten vastgelegd en adellijke voorrechten werden afgeschaft. Alleen in Amerika hield de democratie stand.

Tijdvak 8, tijd van burgers en stoommachines (1800-1900):

  1. De industriële revolutie die in de westerse wereld de basis legde voor een industriële samenleving: de landbouw-stedelijke samenleving werd vervangen door een industriële samenleving. Hierdoor groeide de bevolking en kwam er grootschalige productie door mechanisering.
  2. Discussies over de sociale kwestie: arbeiders werden slecht behandeld, ze kregen weinig loon, te lange werkdagen en slechte arbeidsomstandigheden. Ook was er sprake van kinderarbeid. Er werden nieuwe wetten gemaakt om de omstandigheden grotendeels op te lossen.
  3. De moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie: Europeanen hadden behoefte aan grondstoffen en afzetmarkten door de industriële revolutie. Door kolonies te stichten kon dit heel erg goedkoop en makkelijk verkregen worden.
  4. De opkomst van emancipatiebewegingen: groepen die een einde willen maken aan de achterstelling van hun aanhangers gaan demonstreren voor hun rechten (feministen à vrouwenkiesrecht) (confessionalisten à speciale scholen).
  5. Voortschrijdende democratisering met deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan het politieke proces: er was sprake van democratisering in heel Europa. In Nederland kwam er eerst censuskiesrecht, daarna kwam er het algemeen mannenkiesrecht en later kregen de vrouwen ook kiesrecht.
  6. De opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme: door de opkomst van de burgerij en de arbeidersklasse groeide de invloed van de stromingen. Ze verzetten zich tegen bepaalde dingen volgens hun eigen ideologieën en visies.

Tijdvak 9, tijd van de wereldoorlogen (1900-1950):

  1. De rol van moderne propaganda en communicatiemiddelen en vormen van massaorganisatie: in deze tijd werd er voor propaganda communicatiemiddelen ingezet zoals radio en tv. Omdat iedereen zijn eigen ideologie had ontstonden er massaorganisaties, iedere organisatie had zijn eigen politieke en godsdienstige kleur.
  2. Het in de praktijk brengen van de totalitaire ideologieën communisme en facisme / nationaalsocialisme: na de Eerste Wereldoorlog ontstonden deze partijen, ze wilden alledrie het leven van de bevolking beheersen. Lenin greep de macht in Rusland met het communisme (vanaf toen Sovjet-Unie), Mussolini greep met veel geweld de macht in Italië met het facisme en Hitler greep met het nationaalsocialisme de macht in Duitsland.
  3. De crisis van het wereldkapitalisme: door de Beurskrach in de VS ontstond er een economische wereldcrisis. Wereldwijd gingen de banken failliet en mensen raakten al hun geld kwijt.
  4. Het voeren van twee wereldoorlogen: de Eerste Wereldoorlog was een loopgravenoorlog en door de opkomst van het machinegeweer waren er veel doden. Bij de Tweede Wereldoorlog was nog meer een totale oorlog dan de Eerste Wereldoorlog want de burgerbevolking werd betrokken. Er kwamen nog meer nieuwe en grotere wapens zoals tanks, vliegtuigen en zelfs atoombommen.
  5. Racisme en discriminatie die leidden tot genocide, in het bijzonder op Joden: de nationaalsocialisten onder leiding van Hitler vonden dat het Arische ras bovenaan stond en ze hadden speciaal een haat aan Joden. Er kwam geweld tegen de Joden, en later werden ze in massa’s vermoord in concentratiekampen.
  6. De Duitse bezetting in Nederland: Nederland was een neutraal land maar toch vielen de Duitsers Nederland binnen. De enige dingen die je kon doen was je verzetten, je kon doen aan collaboratie (samenwerken met de vijand) of je paste je aan.
  7. Verwoestingen op niet eerder vertoonde schaal door massavernietigingswapens en betrokkenheid van de burgerbevolking bij oorlogvoering: in de Eerste Wereldoorlog kwamen er nieuwe en betere wapens en door dienstplicht waren burgers bij de oorlog betrokken. In de Tweede Wereldoorlog werd er niet gevochten in een bepaald gebied, maar ook gewoon in steden en dorpen waar mensen woonden, door massavernietiging kwamen er meer burgers om dan militairen.
  8. Vormen van verzet tegen het West-Europese imperialisme: de kolonies van de West-Europese landen wilden onafhankelijkheid en gingen in verzet. Ghandi gebruikte non-coöperatie (geen geweld gebruiken, maar weigeren mee te werken) en propaganda. Soekarno gebruikte juist wel geweld in het verzet.

Tijdvak 10, tijd van televisie en computer (1950-heden):

  1. De verdeling van de wereld in twee ideologische blokken in de greep van een wapenwedloop en de daaruit voortvloeiende dreiging van een atoomoorlog: dit werd de Koude Oorlog genoemd. De Sovjet-Unie had een wapenwedloop met de Verenigde Staten. Oost en West had ieder hun eigen ideologie. Er dreigde een kernoorlog maar uiteindelijk viel de Sovjet-Unie uit elkaar.
  2. De dekolonisatie die een eind maakte aan de westerse hegemonie in de wereld: na de Eerste Wereldoorlog ontstonden nationalistische bewegingen in Azië die streefden naar onafhankelijkheid. Na de Tweede Wereldoorlog begon een dekolonisatieproces en kwam er een eind aan de acht van Europese koloniale rijken.
  3. De eenwording van Europa: vroegere aartsvijanden beginnen samen te werken op economisch en politiek gebied. Er deden steeds meer landen mee met de samenwerking.
  4. De toenemende Westerse welvaart die vanaf de jaren 60 aanleiding gaf tot ingrijpende sociaal-culturele veranderingsprocessen: er ontstond welvaart in het Westen en er ontstond ruimte voor verschillende leefstijlen. Mensen zochten vrijheid en andere gezagsverhoudingen en kregen nieuwe normen en waarden. Daarnaast kwamen er allerlei mensen naar Nederland en zo ontstond er een multiculturele samenleving.
  5. De ontwikkeling van pluriforme en multiculturele samenlevingen: er ontstond meer ruimte voor verschillende leefstijlen. Door immigratie naar het welvarende Westen werd Nederland een multiculturele samenleving.