LWEO economie Levensloop Hoofdstuk 4, 5 en 6

Datum 7 april 2016
Uploader Charlie
Vak Economie
Niveau VWO
Methode LWEO
Uitgave Levensloop

Een samenvatting van het boekje Levensloop hoofdstuk 4,5 en 6 van LWEO.

Samenvatting downloaden of printen
Stuur jouw samenvatting
Inhoud

Hoofdstuk 4: inkomen en belasting

4.2 in loondienst

Op de arbeidsmarkt kun je kijken welke banen op je studie aansluiten, wat je leuk vind en wat de mogelijkheid is. Vragers en aanbieders ontmoeten elkaar hier. De arbeidsmarkt is geen concrete markt maar een abstracte markt. Werkgevers zijn de vragers, ze vragen om arbeiders. De vraag bestaat uit twee delen:

  • Voorziene vraag: vraag naar iedereen die werkt.
  • Openstaande vraag: Vragen op bepaald personeel.

Het aanbod bestaat uit iedereen die wil en kan werken. Dit is de beroepsbevolking.

De belangrijkste arbeidsvoorwaarden staan in een collectieve arbeidsovereenkomst (cao).

Vakbonden en koopkracht

Vakbonden streven naar goede arbeidsvoorwaarden voor de werknemers. Koopkracht speelt daarbij een rol. Als die daalt gaat het gemiddelde prijsniveau omhoog: inflatie. Vakbonden willen dan een loonstijging. Om dit te berekenen gebruik je indexcijfers. Formule van het indexcijfer van de koopkracht.

RIC = NIC / PIC * 100

RIC= reëel index cijfer (koopkracht) NIC= nominaal index cijfer (loon) PIC(CPI)=prijs index cijfer (inflatie).

4.3 eigen baas

De middelen waarmee geproduceerd wordt heten productiefactoren: kapitaal en arbeid. Als je het inkomen van alle inwoners van een land bij elkaar optelt heb je het nationaal inkomen.

4.4 inkomensheffing

Niet al je inkomen/winst mag je houden. Een deel moet je aan de overheid geven. Wat overblijft heet het nettoloon.  Loonheffing bestaat uit twee delen: loonbelasting en premie zorgverzekering. De loonheffing die in het brutoloon wordt ingehouden heet de voorheffing.

Berekening inkomensheffing

  1. Bepaal het bruto jaarinkomen. Met vakantiegeld en premievergoeding. Er zijn aftrekposten die je van de inkomensheffing mag aftrekken.
  2. Je houdt het belastbaar inkomen Hiermee wordt de loonheffing berekend, door belastingschijven.
  3. Er zijn ook nog heffingskortingen, een bedrag in mindering. Iedereen krijgt sowieso heffingskorting (2001,-). Daarnaast zijn er ook nog andere kortingen.

De overheid past bij de loonheffing een aantal beginselen toe: draagkrachtbeginsel; hoe meer inkomen hoe meer belasting. Dit zorgt voor nivellering.

Met het gemiddelde heffingspercentage kun je berekenen hoeveel cent je per euro afdraagt.

Bij een progressieve heffing is er nivelleren. Bij een degressieve heffing is er denivelleren. Bij een proportionele heffing is de belastingdruk hetzelfde. Marginale druk of marginaal tarief is hoeveel cent je extra aan heffing moet betalen als je inkomen 1 euro hoger is. Als er een stijging is van het inkomen, stijgt de gemiddelde druk ook.

De inkomensheffing bestaat uit belastingen en premies voor de volksverzekeringen. De belasting die de overheid int, heten de algemene middelen.

4.5 vermogensrendementsheffing

Als je inkomen spaart, bouw je vermogen op. Druk je het totale inkomen uit in procenten van het vermogen, dat vind je het rendement op het vermogen. Inkomen uit vermogen in procenten van dat vermogen noem je rendement over vermogen.

Hier wordt ook belasting uit geheven. Deze belasting heet vermogensrendementsheffing. Het heffingstarief is 30%, dit hoeft niet over het werkelijk verdiende inkomen uit vermogen, maar gaat uit van een fictief percentage van 4%. Hier dient een heffing van 30% te worden betaald.

4.6 de herverdeling door de overheid

Inkomens die worden verdiend zijn: loon, winst, huur, rente en pacht. Dit zijn primaire inkomens: ze zorgen voor productieproces. Als je werkloos of arbeidsongeschikt bent, krijg je een sociale uitkering, overdrachtsinkomens. Hierover moet degene ook belasting betalen. Het uiteindelijke inkomen heet secundair inkomen of besteedbaar inkomen.

Hoofdstuk 5 Gezin

Het speelkwartier

Het 25e tot je 30e wordt ook wel ‘het speelkwartier’ genoemd. Je hebt veel inkomen en weinig zorgen en uitgaven. De fase hierna, gezinsfase, is meestal een belangrijke fase, je gaat minder verdienen en je hebt meer uitgaven.

Koophuis of huurhuis?

Het kopen van een huis heeft langdurige en verstrekkende gevolgen. Naast je eigen geld, neemt men meestal een hypothecaire lening. Het is een lange lening die je sluit met een onroerend goed als onderpand. Als je de lening niet betaalt wordt je huis van de bank.

Het huren van een huis heeft minder risico. Een huurhuis heeft echter geen aftrekpost van de hypotheeklening. Bij een onroerend goed moet je onroerend zakenbelasting (ozb) betalen. Wanneer de waarde van het huis kleiner is dan de hypotheek die je hebt, staat je huis ‘onder water’. Als je het huis niet meer kunt betalen, krijgt de bank het huis verkopen en zo zijn geld terugkrijgen. Wanneer het huis minder waard is dan wat je voor hypotheekschuld hebt, zit je met restschuld. Om dit aan te pakken heeft de overheid de Nationale Hypotheekgarantie (nhg) opgericht. Die zorgt ervoor dat de stichting waarborgfonds eigen woningen (swew) de restschuld na de verkoop overneemt. Je moet daarvoor borgtochtprovisie aan de swew betalen.

Taakverdeling in de huishouding

In de gezinsfase is er minder tijd en inkomen en komen er nieuwe zorgtaken bij. Je kunt niet alles doen wat je zou willen doen. De overheid vindt dat baan en zorg voor de kinderen moet worden gecombineerd: combinatiemodel. De overheid helpt bijvoorbeeld mee aan de uitgave bij de kinderopvang.

Stoppen met werken?

Na de gezinsfase, wanneer de kinderen uit huis zijn, is er weer rust. De meeste mensen blijven werken tot de AOW-gerechtigde leeftijd. Sommigen stoppen al eerder met werken: prepensioen. De overheid wil dat mensen blijven werken en de arbeidersparticipatie onder ouderen te verhogen.

Hoofdstuk 6 de oude dag

De AOW

Er zijn twee mogelijkheden om premies binnen te krijgen:

  1. Kapitaaldekkingsstelsel: iedereen die een inkomen heeft wordt gedwongen premie te betalen. Het geld wordt eerst belegd voordat het wordt uitgegeven.
  2. Omslagstelsel: de premies die nodig zijn in een bepaald jaar worden omgeslagen over de personen die dan inkomen verdienen. Het binnengekomen geld wordt direct betaalt. (AOW)

Om de AOW-premie uit te rekenen, moet  er rekening worden gehouden met de algemene heffingskortingen. Korting op de inkomensbelasting, AOW-premie, AWBZ-premie en de Anw-premie. Er is een absoluut maximum. Boven een bepaald inkomen stijgt de premie niet verder. Dit inkomen heet de premie-inkomensgrens. Een uitkering kan waardevast of welvaartsvast zijn. Waardevast is als de uitkering gelijk stijgt met de inflatie. Een uitkering is welvaartsvast als de uitkering gelijk stijgt met de loonstijging.

Aanvullend bedrijfspensioen

Sommige mensen willen extra pensioen. Dat kan door extra te sparen tijdens je werkzame leven. Veel werknemers zijn hiervoor verplicht met een pensioensregeling. De betaalde pensioenpremie is aftrekbaar voor de belasting, maar over pensioenuitkering wordt wel belasting betaald. Pensioen is uitgesteld loon: je betaalt voor iets dat je later krijgt. Van premies wordt belegd in aandelen, bewijs voor mede-eigendom van een bedrijf, obligaties, schuldbewijzen met een vaste looptijd en vaste rente. Dekkingsgraad: maatstaaf waarin het vermogen, opbrengsten, wordt vergeleken met de verplichtingen, uitgaven. Verplichtingen liggen in het verleden en moeten worden omgerekend naar het heden: contant maken.

Ouderenzorg

Ziektekosten worden vergoed door een ziektekostenverzekering. Als kosten niet vast worden verzekerd, kun je gebruik maken van de AWBZ.

Economie Hoofdstuk 7 ruilen tussen generaties

Overdracht tussen generaties

Werkenden dragen geld af aan de overheid in de vorm van belastingen en premies. Wat we tijdens de levensloop van de overheid ontvangen, is ongeveer gelijk als wat we tijdens de levensloop aan de overheid betalen. Kinderen hoeven niks uit te geven en ontvangen alleen maar: netto ontvangers. Net als de ouderen. De werkenden draagt de meeste lasten: netto betalers. Het netto profijt dat iemand gedurende zijn levensloop heeft is het profijt voor de burgers van de overheid min de afdrachten aan de overheid. Niet alle overdracht heeft te maken met geld. Ook meer informatie en slimmer worden helpt bij overdracht. Er zijn ook negatieve dingen aan overdracht, zoals milieuvervuiling. Het saldo is het netto profijt van de overheid. Bij een profijtbeginsel betalen degenen die gebruik maken van een voorziening voor die voorziening. Bij een draagkrachtbeginsel betalen degenen met een hoger inkomen een groter deel dan degenen met een lager inkomen.

Demografische veranderingen

De mate waarin vergrijzing kan worden aangegeven gaat in het grijze druk. Groene druk: het aantal jongeren als percentage van de bevolking 20-65. Groene en grijze druk bij elkaar opgeteld heet ook wel het demografische druk. Hoeveel jongeren en ouderen afhankelijk zijn van 100 personen van 20-65. Omdat er vergrijzing is moeten er oplossingen komen om voor hen te betalen:

  1. Verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd
  2. Het laten oplopen van de staatsschuld
  3. Het stimuleren van deelname in het arbeidsproces
  4. Stimuleren van immigratie
  5. Verhogen van AOW-premie
  6. AOW-uitkering inkomens- en vermogensafhankelijk te maken