Feniks hoofdstuk 2 De lange weg naar het binnenhof

Datum 28 januari 2015
Uploader Justin
Niveau HAVO
Methode Feniks

Een samenvatting van hoofdstuk 2 De lange weg naar het binnenhof van Feniks voor HAVO geschiedenis.

Samenvatting downloaden of printen
Stuur jouw samenvatting
Inhoud

De lange weg naar het binnenhof

Hoofdvraag:

Hoe ontstond in de 19e het moderne politieke systeem in nederland?

Antwoord:

Doordat er steeds meer verschillende groepen kwamen waaronder socialisten en communisten. Hierdoor begint het steeds meer te lijken op hoe het nu is.

Paragraaf 1

Het cultuurstelsel is het stelsel waarbij Javaanse boeren 1/5 van hun land moesten vrijhouden voor de Europese markt. De bedenker van het cultuurstelsel was Johannes van den Bosch.

Eduard Douwes dekker, ook wel bekend onder zijn schrijversnaam Multatuli, werd in 1856 benoemd tot assistent-resident van Lebak.

Douwes dekker was uit op fair trade. Dit kreeg hij niet, en schreef daarom in 1859 het welbekende boek max Havelaar. Dit boek schreef hij als eerherstel voor zichzelf en voor een verbetering van het lot van de inlandse boeren.

Na 1860 werd het cultuursysteem afgeschaft. Hierdoor ging Nederland zich nog veel meer met Nederlands-Indië te bemoeien. Nu hoefden de overheid van Nederland niet meer te zeggen wat de Javanen verbouwen maar dat gingen particulieren doen.

Voor 1870 bemoeide Nederland zich alleen met Java, maar na dat jaar bemoeide Nederland zich ook met andere eilanden. Die eilanden werden de buitengewesten genoemd. Stapje voor stapje werden steeds meer eilanden over genomen. Ook als het moest met geweld. 1901 werd er een nieuwe koers in gebracht: de ethische politiek. Dit hield in dat bijv. Nederlands-Indië veel werd bijgebracht over onderwijs gezondheidszorg en verspreiding van het christendom.

Paragraaf 2

De sociale kwestie: Wat ging er gebeuren aan de slechte leefomstandigheden van de arbeiders?:

  • Niks doen à liberalisme ( vrijheid )
  • Overheid moet gaan ingrijpen à socialisten

Adam smith: grondlegger van het kapitalisme.

Het kapitalisme was een systeem waarbij je zoveel mogelijk winst wilde maken en dat je zo veel mogelijk vrijheid wilde om je te richten op je doelen. (meestal winst maken)

Productiefactoren in de handen van particulieren. Prijzen werden bepaald door marktmechanisme vraag en aanbod.

Ondernemers wilden winst maken. Gevolgen hiervan:

  • Een zo groot mogelijke vrijheid hebben.
  • Staat moest zich niet gaan bemoeien met economie (liberalisme)

Aanbod: goud (omdat hier niet veel van was).
vraag: was erg hoog
Prijs: werd hierdoor hoog

Conservatisme: politieke stroming waarbij bijna niks word veranderd zodat alles bij het oude blijft.

Paragraaf 3

Vakbonden werden opgericht om sociale kwestie te verbeteren. Socialisten wilden samenleving veranderen zodat de leefomstandigheden dan beter werden. Socialistische partijen:

  • SDB ( sociaal democratische bond ) (1881)

Leider: demela nieuwenhuis

  • SDAP ( sociaal democratische arbeiders partij) (1894)
  • Dit werd later de PVDA

Doel: algemeen kiesrecht

De vakbonden waren tegen kapitalisme.

Karl marx (1818-1883): grondlegger van het communisme.

  • Hij voorspelde een revolutie waarin de arbeidsklasse de macht over zou nemen.
  • Na de overgangsfase zou er een klassenloze maatschappij ontstaan, waarin alle productiemiddelen gemeenschappelijk bezit zou zijn.
  • Comunisten wilden revolutie

En de sociale-democraten kozen voor geleidelijke vroming en ze streefden naar kiesrecht voor iedereen (census kiesrecht) Karl marx schreef een boek van hoe hij alles voorspelde: In dit boek was de klassenstrijd (arbeiders VS bourgeoisie) het belangrijkst.

DAS KAPITAL:

  1. Verelendungsfase
  2. Crisis fase
  3. Der große kladderadatch( ineenstorting fase)

Rusland werd ingenomen door arbeiders.

Wat wilden wie?

Communisme: verandering door revolutie.
Socialisten: verandering door aannemen van wetten in parlement.

Het kinderwetje van houten (1874): de wet die de kinderarbeid verbood.

Paragraaf 4

De religieuze minderheden van de confessionelen (katholiek en protestant). Sommige confessionelen streden voor godsdienstvrijheden, deze groepen voelden zich achtergesteld.

Gevolgen:

  • Emancipatiebeweging onder katholieken.
  • Nieuwe geloven: de gereformeerden. ( was bijna hetzelde als protestanten)
  • Politieke geloven: het confessionalisme werd een politieke stroming (er kwamen nieuwe politieke partijen met als basis het geloof)

De grondrechten: een wet waarbij de vrijheid van burgers werd vastgesteld. Nederland: het land van de minderheden

  • Katholieke zuil
  • Protestante zuil
  • Socialistische zuil
  • Algemeen/liberaal zuil

Doordat er meer geloven ontstonden begon er spanning te ontstaan tussen die geloven.  Die spanning eindigt 19e eeuw, begin 20e eeuw door problemen en de schoolstrijd ( strijd tussen protestanten en katholieke voor aparte scholen voor je geloof).

Verzuiling: opdeling van de samenleving in bevolkingsgroepen. Liberalen: niet-religieus(openbaar) onderwijs. Confessionelen: scholen met geloof.

Abraham kuyper: sticht in 1879 de 1e politieke partij op, ARP(anti revolutionare partij). Later gingen ze samenwerken met katholieken tegen de liberalen. Steeds meer mensen wilden geen openbare school maar een bijzonder school.

1917: bijzondere scholden worden geopend, de schoolstrijd is afgelopen.

Paragraaf 5

Emancipatiebeweging: beweging die streeft naar gelijke groepen (mannen en vrouwen). Het feminisme: een groep die het recht van de vrouwen wil verbeteren. Standplaatsgebondenheid: iedereen kijkt anders in zijn tijd naar historische gebeurtenissen. Bijv: rol van de vrouw in de samenleving: Meiden gaan studeren

Eerste vrouw op de universiteit(1871): Atleta jacobs.