Kenmerkende aspecten: Duitsland HAVO

Datum 30 september 2015
Uploader Vera
Niveau HAVO

Een samenvatting van de kenmerkende aspecten van Duitsland voor Geschiedenis voor de HAVO. De samenvatting is gestuurd door Vera.

Samenvatting downloaden of printen
Stuur jouw samenvatting
Inhoud

1

Kenmerkende Aspecten:

  • De Industriële Revolutie die in de westerse wereld de basis legde voor een industriële samenleving.
  • De moderne vorm van imperialisme die verband hield met industrialisatie.
  • De opkomst van de politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme.
  • Het voeren van twee wereldoorlogen.
  • Verwoestingen op niet eerder vertoonde schaal door massavernietigingswapens en de betrokkenheid van de burgerbevolking bij oorlogvoering.

Het Duitse keizerrijk (1871) is ontstaan doordat in de loop van de 19e eeuw de dominantie van Frankrijk afnam. Dit kwam vooral door de opkomst van Pruisen, een Duitse staat:

  • Economisch: door industrialisatie groeit de bevolking
  • Economisch-militair: wapenindustrie
  • Militair: dienstplicht
  • Politiek: autoritaire staat, Rijkskanselier Bismarck

Rijkskanselier Bismarck lokte een oorlog uit met Frankrijk omdat het zo goed ging met Duitsland. De Frans-Duitse oorlog (1870-1871) werd gewonnen door Duitsland en in 1871 werd Wilhelm l in Versailles uitgeroepen tot keizer van het Duitse keizerrijk.

Bismarck was tevreden met de bestaande grenzen maar zag wel dat Duitsland werd omgeven door sterke mogendheden. Daarom een buitenlands beleid: handhaving van de bestaande machtsevenwicht door een alliantiepolitiek. Bismarck was de bemiddelaar tussen Frankrijk, Rusland en Oostenrijk-Hongarije. In 1884 nodigt Bismarck Europese mogendheden uit in Berlijn (De conferentie van Berlijn 1884-1885). Hierin werd besloten dat België een grote kolonie mocht stichten in het hart van Afrika en er werden verdere afspraken gemaakt over het in het bezit nemen van nieuwe Afrikaanse gebieden.

In 1888 werd Wilhelm ll de keizer en ontsloeg hij rijkskanselier Bismarck. Duitsland wilde een belangrijke plaats op het wereldtoneel. Deze ‘Weltpolitik’ was in de eerste instantie gericht op overzees imperialisme waarbij het vooral Groot-Brittannië als koloniale grootmacht tegenover zich vond.

De Duitse ‘Weltpolitik’ was uiteindelijk geen succes, daarom werd er in het begin van de 20e eeuw meer een blik gericht op het Europese continent:

  • Vooral gericht naar het oosten (lebensraum)
  • De groeiende internationale ambities van Duitsland gingen (tot verontrusting bij Frankrijk, Groot-Brittannië en Rusland) hand in hand met:

– Sterke economische groei

– Toenemende militarisme à Vlootwet

  • Er ontstonden 2 internationale bondgenootschappen:

– Duitsland en Oostenrijk-Hongarije (vooral angst voor Rusland) Centralen

– Frankrijk, Groot-Brittannië en Rusland (vooral angst voor Duitsland) Geallieerden

Admiraal von Tirpitz maakt met steun van de keizer een Vlootwet in 1898 die wordt aangenomen door het parlement. Ze maakten deze wet om net zo’n grote vloot te krijgen als de Britten, dit leidt tot een wapenwedloop die de Duitsers verliezen.

De rivaliteit tussen de grote mogendheden kwam tot uitbarsting in de Eerste Wereldoorlog (1914-1918). Oorzaken:

  • Aanleiding: Door de moord op Frans Ferdinand ontstond er oorlog tussen Servië en Oostenrijk-Hongarije
  • Bondgenootschappen
  • Nationalisme
  • Militarisme
  • Industrialisatie en moderne wapentechnieken

Deze eerste totale oorlog (volledige bevolking is betrokken) had ingrijpende gevolgen voor soldaten en het thuisfront.

De Slag bij de Marne (1914) is de eerste grote veldslag van de Eerste Wereldoorlog:

  • Von Schlieffenplan
  • 000 doden in een week (onder andere door het machinegeweer)
  • Duitse opmars wordt tegengehouden
  • Daarna begon een loopgravenoorlog van 4 jaar

De zware last van de oorlog leidde tot steeds meer onvrede onder de bevolking, gevolgen:

  • In de herfst van 1918 vlucht de keizer, revolutie (1918): republiek wordt uitgeroepen op 9 november, Duitsland wordt een democratie.
  • 11 november 1918: ondertekening Verdrag van Versailles (wapenstilstand)à Duitsland heeft de oorlog verloren, de burgerregering kreeg achteraf de schuld.

2

Kenmerkende Aspecten:

  • De rol van moderne propaganda- en communicatiemiddelen in vormen van massaorganisatie.
  • Het in praktijk brengen van de totalitaire ideologieën; communisme en facisme / nationaalsocialisme.
  • De crisis (1929) van het wereldkapitalisme.

De Republiek van Weimar (1919) maakte van Duitsland een parlementaire democratie. De basis van deze democratie was wankel door de machtsstrijd tussen democraten en de groepen die een einde wilden maken aan de parlementaire democratie zoals:

  • De oude conservatieve elite (adel, legerleiding en mensen die de keizer terug willen)
  • Extreemrechtse groepen (Hitlers putsch (1923), tegen democratie, tegen joden etc.)
  • Communisten (tegen democratie)

Zowel de nationalisten als de communisten probeerden via straatgeweld de democratie te ontwrichten; De Spartacusopstand (1919): In Berlijn breekt een communistische opstand uit. Deze wordt neergeslagen door het leger (in opdracht van de democratische regering) en vrijkorpsen (extreem rechtse ex-militairen). In januari worden Rosa Luxenburg en Karl Liebknecht (leiders van de communisten) vermoord, dit leidt in heel Duitsland tot rellen, straatgevechten en moorden. De leiders van de Republiek probeerden door middel van een vreedzame politiek weer aanzien te krijgen in Europa. Een groot deel van de Duitse bevolking had echter weinig vertrouwen in de politieke leiders en de Republiek omdat:

  • Deze verantwoordelijk werden gehouden voor de nederlaag in de Eerste Wereldoorlog en het Verdrag van Versailles uit 1919 à klein leger, geen grote wapens, herstelbetalingen en grondverlies.
  • Zij er lange tijd niet in slagen de grote politieke en vooral economische problemen op te lossen.

Doordat er nauwelijks coalities mogelijk waren en de herstelbetalingen zwaar op de economie drukten, ontstond er in 1923 een grote economische (hyperinflatie: geld bijdrukken) en politieke (Hitlerputsch) crisis. In 1923 probeerde Hitler een staatsgreep te plegen maar werd hiervoor in de gevangenis gezet en hij schreef daar ‘Mein Kampf’.

Mede door hulp van de Verenigde Staten (Dawesplan (1924-1929)) begon een voorzichtig economisch herstel en konden tussen 1924 en 1929 redelijk stabiele regeringen worden gevormd. De VS had verschillende motieven om het Dawesplan uit te voeren namelijk: het herstel van de economie en het herstel van machtsevenwicht. Het Dawes plan ging goed totdat er in 1929 de Amerikaanse Beurskrach (grote economische crisis doordat de beurzen in de VS niks meer waard waren) kwam. Het legde de zwakte van de Duitse economie bloot (de VS wilden hun geld terug). De politiek werd instabiel en daar profiteerde Hitler met zijn nationaalsocialistische partij de NSDAP (Massapartij) van. De machtsovername van Hitler (1929-1933) had succes door verschillende oorzaken:

  • Het redenaarstalent van Hitler
  • Sterk leiderschap
  • Grootscheepse propaganda
  • Paramilitair machtsvertoon (SA)
  • Belofte tot economisch herstel
  • Verwerping van Verdrag van Versailles
  • Belofte om een einde te maken aan de chaos en verdeeldheid van de Weimar-Republiek

Hierdoor zou Duitsland weer de plaats op het wereldtoneel krijgen waar het, volgens Hitler, recht op had. Nadat de NSDAP de verkiezingen had gewonnen werd Hitler in 1933 benoemd tot rijkskanselier mede door steun van de conservatieve elite (Hindenburg). Meteen na het aantreden van Hitler begon hij met een opbouw van een totalitair regime.

Marinus van der Lubbe (Nederlandse communist) steekt het Rijksdagggebouw (parlementsgebouw) in brand (Rijksdagbrand 1933). Gevolg: Hindenburg (tweede rijkspresident) kondigt een noodverordening af:

  • Grondrechten zoals vrijheid van meningsuiting worden opgeschort
  • Communisten en socialisten worden opgepakt
  • Hun kranten worden verboden

Na de volgende verkiezingen laat Hitler de Weimar-grondwet afschaffen via een machtigingswet die werd goedgekeurd door het parlement. Het parlement zette zichzelf uiteindelijk buiten spel. De Republiek van Weimar kwam ten einde en Hitler had alle macht.

3

Kenmerkende Aspecten:

  • De rol van moderne propaganda- en communicatiemiddelen en vormen van massaorganisatie.
  • Het in de praktijk brengen van de totalitaire ideologieën: communisme, facisme / nationaalsocialisme.
  • Het voeren van twee wereldoorlogen.
  • Racisme en discriminatie die leidden tot genocide, in het bijzonder op de joden.

Onder leiding van Hitler werd de Duitse samenleving genazificeerd met:

  • Terreur (SA, voor iedereen die niet in de Volksgemeinschaft paste berechting of in kampen gestopt)
  • Censuur (controle op informatie)
  • Propaganda van onder andere Goebbels (propagandaminister van Hitler)

De Rijkscultuurkamer (1933) werd ingesteld door Goebbels. Als je in de cultuur of media wilde werken, moest je lid zijn en je aan de richtlijnen houden (censuur). Het gevolg daarvan was dat er vanaf 1935 alleen nog maar nazi’s en meelopers werkten in de cultuur en media. Dit was een groot voorbeeld van propaganda via communicatiemiddelen. Het beeld van de propaganda was nationaalsocialistisch en fascistisch ingesteld.

De Duitsers reageerden enthousiast op:

  • De censuur, propaganda en terreur
  • Het economische herstel (werkloosheid werd teruggedrongen)
  • De verwerping van het Verdrag van Versailles

Tot de eerste slachtoffers behoorden:

  • Politieke tegenstanders (communisten en socialisten) van het regime
  • Mensen die vanwege ras, fysieke eigenschappen, seksuele geaardheid of om andere redenen niet pasten in de Duitse Volksgemeinschaft.

Met de Duitse economie gaat het inmiddels al beter want er kwamen nieuwe banen door wapenindustrie en dienstplicht. Duitsland moest een wereldmacht worden, dat betekende lebensraum voor alle Duitsers. Dit was een kenmerk van de totalitaire ideologie van Hitler. Hitler, die Mein Kampf heeft geschreven, had ook een rassenleer. De joden kregen de schuld van de crisis wat paste bij de rassenleer van Hitler. Via Hitler’s SA was er al voor 1933 veel geweld, discriminatie en racisme richting Joden. Dit werd gecontructureerd door:

  • Geen Joodse ambtenaren meer (1933)
  • Concentratiekamp Dachau (1933) was het eerste grote concentratiekamp. De gevangenen moesten dwangarbeid verrichten, waren rechteloos en er warden veel gevangenen vermoord of ze stierven door honger.
  • De Neurenberger rassenwetten (1935): Joden zijn geen staatsburgers, verbod op huwelijk tussen Joden en Duitsers en wetten bepaalde wie Joods was.
  • Kristallnacht (1939): De SS (onder leiding van Himmler) neemt het over.

Heydrich (de tweede man van de SS) brengt tijdens de Wanssee Conferentie (1942) de ministeries op de hoogte van de plannen met de Joden. Er worden daarna afspraken gemaakt over de uitvoering van de Holocaust.

In de buitenlandse politiek richtte Hitler zich aanvankelijk op de aansluiting van Duitstalige gebieden, maar hij streefde uiteindelijk naar een totale etnische herschikking van Europa waar het Arische ras moest overheersen. Hitler begint in Oostenrijk in 1938. Groot-Brittannië probeerde met de appeasementpolitiek een oorlog te voorkomen. Een voorbeeld van de appeasement is de Conferentie van Munchen (1938) waar Duitsland, Engeland, Frankrijk en Italië samenkomen en besluiten dat Duitsland Sudetenland van Tsjecho-Slowakije krijgt. In ruil daarvoor belooft Hitler geen andere gebieden meer op te eisen.

Hitler hield zich echter niet aan zijn belofte. Hij had in het geheim met Stalin onderhandeld over het voorkomen van een tweefrontenoorlog. Hij besloot Polen uiteindelijk aan te vallen wat te ver ging voor Groot-Brittannië en Frankrijk, zij verklaarden Duitsland. Dit was het begin van de Tweede Wereldoorlog (1939).

Vervolgens veroverde Hitler razendsnel landen zoals Nederland en Frankrijk (Blitzkrieg). Ook viel hij Groot-Brittannië aan.

In juni 1941 viel Duitsland de Sovjet-Unie binnen. Dit verbond het radicale anticommunisme van de nazi’s met hun racistische wereldbeeld en leidde tot massavernietiging. Dit deden ze eerst met kogels, later met gaskamers. Tijdens deze aanval begon de genocide op de joden in onderworpen gebieden.

Alle veroverde gebieden warden onderworpen aan het naziregime. De gebieden verschilden qua behandeling. West-Europa werd veel beter behandeld dan Oost-Europa (bijv. Polen waren een minderwaardig ras).

Een ommekeer was dat Duitsland de Slag bij Stalingrad had verloren, maar ook D-day (1944) was een ommekeer. De Geallieerden bereikten de definitieve doorbraak in het Westen.

Gezamenlijk trokken de Verenigde Staten, de Sovjet-Unie en Groot-Brittannië op tegen Duitsland. In mei 1945 werd Berlijn ingenomen door de Russen en eindigde de totale oorlog met een totale nederlaag voor Duitsland. Dit was het einde van de Tweede Wereldoorlog (1945) De toekomst van Duitsland lag nu in de handen van de Geallieerden.

Volgorde Jaartallen

1870-1871:     Frans-Duitse Oorlog

1871:              Wilhelm I keizer

1884-1885:     Conferentie van Berlijn

1888:              Wilhelm II Keizer + Bismarck ontslagen

1898:              Vlootwet

1914-1918:     Eerste Wereldoorlog

1914:              Slag bij Marne

1918:              Revolutie

1918:              Ondertekening Verdrag van Versailles

1919:              Spartakus-opstand

1923:              Crisis (economie en politiek)

1924:              Het Dawesplan

1924-1929:     Relatieve rust

1929:              Beurskrach

1933:              Hitler rijkskanselier

1933:              De Rijksdagbrand

1933:              Rijkscultuurkamer

1933:              Concentratiekamp Dachau

1935:              Neurenberger wetten

1938:              Conferentie van Munchen

1939:              Hitler valt Polen binnen

1939-1945:     Tweede Wereldoorlog

1941:              Duitsland valt Sovjet-Unie binnen

1942:              Wannseeconferentie

1944:              D-Day

1945:              Inname Berlijn (einde Tweede Wereldoorlog)