Grammatica Nederlands – onderbouw VWO

Datum 1 april 2016
Uploader Daan
Niveau VWO

Een samenvatting over woordsoorten en het ontleden van zinnen voor 3 VWO.

Samenvatting downloaden of printen
Stuur jouw samenvatting
Inhoud

Woordsoorten

  • Lidwoord – voor een zelfstandig naamwoord (de, het en een) – lw
  • Zelfstandig naamwoord – mensen, dingen, dieren en planten – znw
  • Bijvoeglijk naamwoord – zegt iets over een zelfstandig naamwoord – bnw
  • Voorzetsel – woorden als tussen, door, onder, in, tijdens (kast-woorden) – vz
  • Bijwoord – zegt iets over een werkwoord, een bijvoeglijk naamwoord of over een ander bijwoord, óf het geeft een plaats of tijd aan. – bw

De werkwoordsoorten

1 ww. in de zin  – pv. =  zww / kww
2 ww. in de zin – pv. = hww, ander werkwoord = zww / kww
3+ ww. in de zin – pv. = hww   ww. Met belangrijkste functie in de zin = zww / kww, andere = hww

  • Zelfstandig werkwoord – Er staat er maar 1 van in de zin, geeft een handeling aan – zww
  • Hulpwerkwoord – het geeft géén handeling aan, bijv. hebben en worden – hww
  • Koppelwerkwoord – een van de ZWaBBeLS (HDV), je kunt ze door een ander koppelwerkwoord veranderen eb het is het belangrijkste werkwoord van de zin – kww
  • Persoonlijk voornaamwoord – de woorden als ik, mij, hij, hem, wij en ons – pers.vn
  • Bezittelijk voornaamwoord – de woorden als mijn, haar, ons, de mijne en het hunne – bez.vnw
  • Wederkerend voornaamwoord – de woorden als me, zich en ons – wederkerend vnw
  • Wederkerig voornaamwoord – het woord elkaar (of mekaar / elkander) – wederkerig vnw
  • Vragend voornaamwoord – de 4 woorden wie, wat, welke en wat voor (een) – vr.vnw
  • Aanwijzend voornaamwoord – wijst iets / iemand aan (deze, dit, die, dat) – aanw.vnw
  • Betrekkelijk voornaamwoord – verwijst naar een woord(groepje), die, dat, wat, wie – betr.vnw
  • Onbepaald voornaamwoord – verwijst vaag naar iets / iemand  (iets, niemand) – onb.vnw
  • Bepaald hoofdtelwoord – een nauwkeurig getal (100, drie achtste) – b.htelw
  • Onbepaald hoofdtelwoord – een onnauwkeurig getal (allen, veel, sommigen)  – onb.htelw
  • Bepaald rangtelwoord – een nauwkeurige plaats van rang (eerste, twaalfde) – b.rtelw
  • Onbepaald rangtelwoord – een onnauwkeurige plaats van rang (laatste, middelste) – onb.rtelw
  • Nevenschikkend voegwoord – verbindt 2 gelijkwaardige delen met elkaar (en, want, maar, of en dus) –nevensch.vw
  • Onderschikkend voegwoord – verbindt 2 ongelijkwaardige delen met elkaar (woorden als dat, …dat en of) – ondersch.vw

Zinnen Ontleden

  1. Werkwoordelijk gezegde – alle werkwoorden in de zin – wwg
    uitzondering: wederkerend voornaamwoord is er ook deel van ALS je het niet kunt vervangen door een ander woord. Ook uitdrukkingen horen bij het werkwoordelijk gezegde. Als een bepaalde combinatie van een voorzetsel en een zelfstandig naamwoord figuurlijk is, hoort het beide bij het wwg, zonder het znw niet
  2. Naamwoordelijk gezegde – als het belangrijkste werkwoord een koppelwerkwoord is – nwg
    • Bij het werkwoordelijk deel hoort het koppelwerkwoord – wwd
    • Het lijdend voorwerp in de zin wordt dan het naamwoordelijk deel  nwd
  3. Onderwerp – wie / wat + gezegde ?
  4. Lijdend voorwerp – wie / wat + gezegde + onderwerp ? – lv
  5. Meewerkend voorwerp  – bij / aan / voor + wie + gezegde + onderwerp (+ lijdend voorwerp) – mv
  6. Voorzetselvoorwerp – een vaste combinatie van een voorzetsel en een werkwoord – vzv
    het voorzetselvoorwerp is dan het voorzetsel + het voorwerp
  7. Bijwoordelijke bepaling – alle andere zinsdelen, geeft een tijd of plaats aan – bwb
    geeft antwoordt op vragen als waardoor?, hoe?, waarvoor?, en ook woorden als niet en ook

Soorten zinnen

  • Enkelvoudige zin zin met één persoonsvorm
  • Samengestelde zin zin met meerdere persoonsvormen
    1. Hoofdzin de pv. staat naast het onderwerp, je kunt hem ook zelfstandig gebruiken
    2. Bijzin de pv. staat niet naast het onderwerp, je kunt hem niet zelfstandig gebruiken
  1. Nevenschikkend voegwoord: 2 bijzinnen nevenschikking
  2. Onderschikkend voegwoord: 1 bijzin en 1 hoofdzin onderschikking
  • Betrekkelijk voornaamwoord

Samengestelde zinnen ontleden

Om samengestelde zinnen te ontleden, moet je de bijzin vervangen door een woord, waardoor het een enkelvoudige zin is geworden. Je moet dan kijken welk zinsdeel dat woord is.
Is het woord …….

  1. Het naamwoordelijk deel – de zin is dan de gezegdezin – gezzin
  2. Het onderwerp –  de zin is dan de onderwerpszin – ondzin
  3. Het lijdend voorwerp – de zin is dan de lijdendvoorwerpszin – lvzin
  4. Het meewerkend voorwerp – de zin is dan de meewerkendvoorwerpszin – mvzin
  5. Het voorzetselvoorwerp – de zin is dan de voorzetselvoorwerpszin – vzvzin
  6. De bijwoordelijke bepaling – de zin is dan de bijwoordelijke bijzin – bwbzin

Beknopte bijzin

Soms heeft een bijzin alleen een denkbeeldig onderwerp en persoonsvorm, het is dan een beknopte bijzin. Je kunt van een beknopte zin vaak een normale zin maken. In een verkeerd aansluitende beknopte bijzijn is het denkbeeldige onderwerp niet hetzelfde als het onderwerp in de hoofdzin.

Samentrekking

Bij een nevenschikking kan je een hoofdzin verkorten, door dezelfde woorden in de 2e hoofdzin weg te laten. Dat heet een samentrekking. Soms mag je woorden niet weglaten, maar als dat wel gebeurt is dat een foutieve samentrekking. Je mag woorden in een 2e hoofdzin weglaten als:

  • Als bij zinsontleding het hetzelfde zinsdeel is
  • Als het hetzelfde woordsoort is in beide zinnen
  • Als ze dezelfde betekenis hebben