Maatschappijwetenschappen massamedia

Datum 15 oktober 2015
Uploader Anoniem
Niveau HAVO
Samenvatting downloaden of printen
Stuur jouw samenvatting
Inhoud

1.1

Communicatie: Als het proces waarbij een zender bedoeld of onbedoeld een bepaalde boodschap (informatie) overbrengt aan een ontvanger en waarbij mensen de relaties die zij met elkaar hebben vorm en inhoud.

Communicatieproces 5 basiselementen (BZMOF):

  • Boodschap: de inhoudelijke informatie die wordt overgebracht vb. feiten, beelden, gedachten, plannen, gevoelens enz.
  • Zender: start communicatieproces door boodschap te sturen
  • Medium: technisch middel waarmee de boodschap wordt overgedragen
  • Ontvanger: degene waarbij de boodschap bedoeld of onbedoeld aankomt
  • Feedback: reactie die de ontvanger geeft op de boodschap

Referentiekader: is de verzameling van al je persoonlijke gegevens waarden, normen, standpunten, kennis en ervaringen

Soorten communicatie:

  • Directe (persoonlijk contact) –en indirecte (altijd via technisch hulpmiddel) communicatie
  • Eenzijdige (eenrichtingsverkeer) –en meerzijdige (wederkerigheid) communicatie
  • Verbale (met woorden) –en non-verbale (zonder woorden vb. gebaren) communicatie
  • Interpersoonlijke ( face to face) –en massa (gericht op een groot en grotendeels onbekend publiek) communicatie

Ruis: verstoring of misvorming van het communicatieproces

1.2

7 kenmerken massacommunicatie:

  • Gericht op breed, heterogeen en relatief onbekend publiek
  • informatie is openbaar en dus voor iedereen beschikbaar
  • Het verzenden en bepalen van inhoud van een publieke boodschap gaat via organisaties waar veel mensen bij betrokken zijn, zoals krantenredacties en omroeporganisaties
  • Altijd gebruik gemaakt van technische hulpmiddelen: massamedia
  • Communicatie meestal eenzijdig, anders indirect en achteraf
  • Uit de eenzijdigheid volgt dat de zender niet kan controleren of de boodschap bij alle ontvangers is aangekomen, laat staan begrepen. Er is wel een feedback mogelijk, maar die komt hooguit van een klein deel van de ontvangers
  • De ontvanger bepaald zelf hoe hij/zij het medium gebruikt

Massamedia: alle middelen die massacommunicatie mogelijk maken

Soorten media:

  • Gedrukte media ( de pers)
  • Audiovisuele media ( radio en tv omroepen)
  • Digitale media (internet)

1.3

Functies voor individu:

  • Informatieve/educatieve functie: De media voorzien ons van nieuws en informatie, waardoor wij op de hoogte blijven van actuele gebeurtenissen en nieuwe dingen leren
  • Opiniërende functie: de media geven vaak kritisch commentaar op nieuws en andere maatschappelijke onderwerpen. Daardoor helpen zij ons een mening te vormen
  • Sociale functie: de media verbinden ons met andere mensen
  • Recreatieve functie: de media bieden ontspanning en tijdverdrijf

Functies voor samenleving (maatschappelijk):

  • Een informerende functie
  • Een socialiserende functie
  • Een amuserende functie
  • Een bindende functie

5 politieke-informerende functies:

  • Opiniërende functie: De media zorgen ervoor dat burgers geïnformeerd worden over maatschappelijke en politieke onderwerpen. Daarnaast spelen de media een belangrijke rol bij de vorming van publieke opinie
  • Spreekbuisfunctie: Deze functie houdt in dat de massamedia de in de maatschappij bestaande standpunten verwoorden.
  • Commentaarfunctie: De media faciliteren het recht op vrije meningsuiting. Ze geven zelf commentaar op actuele gebeurtenissen, bijv.: via columns in kranten en blogs op het internet
  • Controle- of waakhondfunctie: De media controleren het functioneren van de overheid en andere publieke organisaties
  • Agendafunctie: De media zorgen ervoor dat maatschappelijke problemen onder de publieke en politieke aandacht komen. Door de berichtgeving komt een onderwerp op de publieke agenda en van daaruit mogelijk ook op de politieke agenda

Publieke opinie: de mening van de meeste burgers over een bepaalde kwestie

Politieke agenda: dat politici het probleem oppikken en maatregelen gaan bedenken

Socialisatie: het proces waarbij iemand de waarden, normen en andere cultuurkenmerken van zijn samenleving of groep aanleert

Infotainment -> een amuserend maar ook informerend programma

massamedia-1

2.1

Dagbladen: Kwaliteit/populair Richting Links/rechts Doelgroep
Telegraaf Populair Rechts Laagopgeleiden
AD Populair Rechts Sport
Volkskrant Kwaliteit Rooms-Katholiek Links Studenten
NRC-handelsblad Kwaliteit Midden ondernemers
Trouw Kwaliteit Protestants Links Kritische iets hogeropgeleiden
NRC-next Kwaliteit Midden Studenten
Het parool Populair links Amsterdam
Financiël dagblad Kwaliteit Midden/rechts Geld, bedrijven
Reformatorisch dagblad Reformatorisch christenen Rechts Hoekse waard
Nederlands dagblad Zwaar protestant Rechts Veluwe


Identiteit:
het ‘eigen gezicht’ of de ‘kleur’ van een medium, die gebaseerd op geloofsovertuiging, politieke voorkeur, intellectueel niveau en specifieke interessegebiedenDoelgroep: de groep kijkers of lezers waarvoor het medium is bedoeld

2.2

Audiovisuele massamedia:    

  • publieke omroepen (organisaties die van de overheid           toestemming hebben om landelijk programma’s uit te zenden, zendgemachten) (niet geleden gebonden)
  • Commerciële omroepen (zenden op eigen initiatief programma’s uit) (reclames zorgen voor winst -> kijkcijfers)

Audiovisuele massamedia = duaal omroepbestel

Duaal omroepbestel: dat er in Nederland zowel publieke omroepen als commerciële zenders actief zijn

Doelgroep: identiteit van zender, krant of andere medium

Ledengebonden omroepen:

  • KRO (Katholieke Radio Omroep) -> ca. 450.000 leden -> progressief katholiek
  • BNN (Bart’s Neverending Network) -> ca. 300.000 -> politiek en religieus neutraal, jongerenzender
  • VARA (Omroepvereniging Vara) -> ca. 360.000 -> links-progressief, niet religieus
  • EO (Evangelische Omroep) -> ca. 440.000 -> orthodox-protestants, conservatief
  • POWNED (Publieke Omroep Weldenkend Nederland En Dergelijke) -> ca. 52.000 -> rechts-progressief
  • VPRO (Omroepvereniging VRPO) -> ca. 360.000 -> links-progressief, religieus neutraal
  • WNL (Wakker Nederland) -> ca. 60.000 -> rechts-conservatief
  • NCRV (Naam Christelijke Radio-Vereniging) -> ca. 360.000 -> protestants-christelijk, conservatief, gezinszender
  • TROS (Omroepvereniging TROS) -> ca. 465.000 -> rechts-conservatief
  • MAX (slaat op de maximale levenservaring van de kijkers) -> ca. 240.000 -> algemene ouderenomroep
  • AVRO (Algemene Vereniging Radio Omroep) -> ca. 400.000 -> liberaal, religieus neutraal

Niet-ledengebonden (naast de grote omroepen met leden zijn er nog enkele kleine zendgemachtigden zonder leden) :

  • BOS (Boeddhistische Omroep Stichting)
  • HUMAN (Humanistische Omroep)
  • JO (Joodse Omroep)
  • SZM (Stichting Zendtijd Moslims)
  • OHM (Organisatie Hindoe Media)
  • RKK (Rooms-Katholiek Kerkgenootschappen)
  • ZvK (Zendtijd voor Kerken)

Taakomroepen:

  • NOS
  • NTR
  • STER

Taakomroepen: Zenders worden niet gekenmerkt door een politieke kleur of een bepaalde geloofsovertuiging en hebben een vastomlijnde, algemene functie binnen het omroepbestel.

Mediaconcerns:

  • RTL Nederland
  • SBS-groep
  • MTV Networks
  • Discovery Channel Europe

Commerciële zenders: zijn bedrijven die winst willen maken -> door middel van kijkcijfers

Grootste commerciële zenders:

  • RTL 4
  • RTL 5
  • RTL 8
  • RTL 7
  • SBS6
  • Veronica
  • NET5

2.3

Het is internet is een wereldwijde communicatie-infrastructuur van computernetwerken waarmee ‘content’ (informatie) verstuurd kan worden. Internet biedt meerdere functies voor communicatie:

e-mail, VoIP (telefonie), Usenet (nieuwsgroepen).

Internet:

  • World Wide Web (WWW)
  • Mobiele applicaties
  • Cross mediale toepassingen

Social media onderstaan we een verzameling van onlineplatforms waarvan de inhoud bestaat uit ‘user-generated content’ ( informatie die individuele gebruikers zelf kunnen uploaden en delen)

Soorten social media:

  • Weblog (onlinedagboek)
  • Sociale-netwerksites (vb. hyves en facebook)
  • Content communicaties (verzamelen user-generated contents vb. youtube, instagram)
  • Wiki’s (informatieve sites vb.wikipedia)
  • Virtuele werelden (Fantasiewerelden vb. Habbo) (virtuele game werelden= ‘massive muliplayer online role-playing games’) (MMORPG) (virtuele socialewerelden: gebruikers niet gebonden aan ‘spel’regels vb. second life

3.1

3 uitgangspunten mediabeleid:

  • Vrijheid van meningsuiting ( artikel 7 Nederlandse grondwet, ook drukpers, EVRM artikel 10 vrijheid om informatie te vergaren, geen censuur, grenzen aan: discriminatie, belediging en aanzetten tot haat )
  • Democratie (‘volk regeert’ recht hebben op goede publieke informatievoorziening )
  • Pluriformiteit (=verscheidenheid, ‘veel vormigheid’ interne en externe )

EVRM: Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens

Censuur: de overheid oefent controle uit op de informatievoorziening

Interne: binnen Externe: buiten

3.2

Zendgemachtiging: de bevoegdheid voor het uitzenden van radio- en televisieprogramma’s vastgelegd in de zogenaamde ‘omroepwet’

Mediabeleid-> wilt kwaliteit

Op publieke omroepen -> samenwerken (vb. avro en tros)

Subsidie (dan geen / minder reclame)

Netprofilering:

  • NPO 1 (nieuws)
  • NPO 2 (achtergronden)
  • NPO 3 (jeugd)

Netprofilering: duidelijk maken waarover het gaat (onderwerp)

Bepalingen in mediawet:

  • Eigen identiteit
  • Minimaal 50.000 leden = concessiewet
  • Subsidie + ster
  • Compleet aanbod, vb: kunst en cultuur, informatie, nieuws, educatie en amusement
  • 6,5 % reclame, niet meer dat 12 minuten per uur
  • Commerciële zenders minder strenge voorwaarden reclame 15 % (geen sluikreclame)
  • Sponsoring is toegestaan voor zowel publieke als commerciële zenders (alleen aan begin en eind van programma laten zien)

Stimuleringsfonds voor de Pers (SvdP): is een door de overheid ingesteld bestuursorgaan dat de pluriformiteit van de persmedia moet beschermen

3.3

Politieke visies:

  • Liberalen ( als voorstanders van vrijmarktdenken zijn liberalen tegen subsidiëring van de media)
  • Sociaaldemocraten ( pleiten voor regulerend optreden van de overheid door middel van kwaliteitscontrole en bewaking van pluriformiteit in de mediawereld )
  • Christendemocraten ( zijn voor regulerende overheid, maar vinden dat omroepen en krachten ook eigen verantwoordelijkheid moeten nemen .Het CDA kijkt vooral naar socialiserende functie van de media en de gevaren van mediabeïnvloeding, vooral voor de jeugd)

 

Belangengroepen:

  • Publieke omroepen pleiten voor behoud van de pluriformiteit
  • Commerciële zenders vinden dat kijkers volwassen genoeg zijn om te kunnen kijken waar ze willen naar kijken
  • In de lijn met de commerciële zenders benadrukt het bedrijfsleven dat commercering van de media tot vergroting van de keuzemogelijkheden voor de consument leidt
  • Ook de mediaconsumenten vormen een belangengroep.
  • De overheid wil dat het omroepbestel bijdraagt aan de ontwikkeling van onze samenleving

4.1

Maatschappelijke context= wat gebeurt er verder in de maatschappij (vb. technische innovaties en economische ontwikkelingen)

Industriële drukpers -> in de loop van 19e eeuw

3 belangrijke actuele ontwikkelingen:

  • Technische innovaties
  • Economische groei en internationalisering
  • De uitbreiding van de informatiemaatschappij

Informatietechnologie (IT)= het vakgebied waarbinnen computersystemen en digitale communicatietoepassingen worden ontworpen en gebouwd

IT -> ICT (informatie –en communicatietechnologie)

Digitalisering= dat niet-digitale of analoge informatie wordt omgezet naar digitale data

Convergentie= de samenkomst van verschillende mediatypen op een apparaat of een gedeeld kanaal

4.2

Economische groei (jaren ’60 :

  • Welvaart -> consumptiemaatschappij
  • Vrije tijd -> vrijetijdsindustrie

Communicatie via internet -> internationale samenwerking en handel gestimuleerd

Outsourcing= als bedrijven bepaalde taken niet met eigen middelen (resources) verrichten, maar met mensen of middelen buiten een bedrijf.

Mediaconglomaten= hele grote bedrijven (Philips, Apple en Samsung)

Oligopolie= een markteconomische positie waarbij er slechts een klein aantal aanbieders van een bepaalde dienst of product is

4.3

Informatiemaatschappij= een technologie, hoogontwikkelde samenleving waarbij communicatie en informatieoverdracht de basis van de meeste economisch activiteiten

In de informatiesector is ieder bedrijf met het produceren van technische mogelijkheden en diensten die zich richten op het overbrengen van informatie

Samenlevingen: agrarische -> industriële -> dienstverlenende -> informatie

Kenmerken informatiemaatschappij:

  • Constante informatiestroom
  • Niet gebonden aan een plaats
  • Vervaging nationale grenzen
  • Snelle verandering van de informatiemaatschappij

5.1

Financiële middelen van de pers:

–         Abbonementen

–         Vrije verkoop

–          Advertenties

–         Financiële nood: Stimuleringsfonds voor de pers

Er zijn soms ‘botsende belangen’ tussen de redactie en directie. De redactie trekken veel waarde aan onafhankelijke berichtgeving. Voor de directie en aandeelhouders is vooral het vergroten van het marktaandeel en van de efficiëntie belangrijk. Om conflicten te voorkomen is er een redactiestatuur, hierin staan de taken en bevoegdheden van de redactie en de directie. In de meeste statuten staat dat de journalist rekening moet houden met het identiteit van het blad.

Financiële middelen Radio en Televisie:

1 publieke omroepen:

–         Omroepgelden (overheidsinkomen + STER-reclame)

–         Lidmaatschap- en abonnementsgelden

–         Sponsoring voor programma’s van bedrijven

–         Overige inkomstenbronnen

2 commerciële zenders:

–         Reclame inkomsten

–         Sponsorgelden

–         Eigen programmabladen

5.2

Concurrentie:

–         Totale media-aanbod, steeds meer televisiezenders, tijdschriften en internetsites strijden met elkaar om meer aandacht van de consument te krijgen.

–         Binnen 1 mediumsoort, voorbeeld kranten bevechten elkaar met nieuwe bijlagen, nieuwe vormen van abonnementen en bijzondere websites/apps

Op de advertentiemarkt is ook concurrentie. Het totale aanbod reclamezendtijd, advertentiemogelijkheden op het internet is gestegen (er is zelfs meer vraag dan aanbod).

Neerwaartse oplagespiraal= Kranten en tijdschriften met een dalende oplage verliezen advertentieopbrengsten, omdat ze minder gelezen worden. De oplage spiraal leidt tot ontslag van personeel zoals redactieleden, wat ten koste gaat van de kwaliteit van een blad. Dit kwaliteitsverlies zorgt voor nog minder lezers, waardoor de oplage verder daalt, enz…

(dit probleem kan natuurlijk ook bij omroepen optreden)

De toegenomen concurrentie in het medialandschap heeft geleid tot een aantal ontwikkelingen, namelijk:

–         Marktgerichtheid en commercialisering, zoveel mogelijk lezers, kijkers en adverteerders. Kwaliteit nastreven dit geld sterker voor de omroepen dan de pers: kranten / tijdschriften, extra lezers en adverteerders door bijlagen en aanbiedingen. Bij omroepen vind commercialisering vooral plaats bij toename van reclamezendtijd. Het is sterker aanwezig bij commerciële zenders dan bij publieke omroepen. De kijkcijfers worden onderzocht door de stichting kijkonderzoek (SKO), die per programma het aantal kijkers, soort kijkers (leeftijd/sociale klasse) en waardering door de kijkers geregistreerd.

–         Marktsegmentering en stijging van het aantal producten bij de tijdschriften, vooral in tijdschriftenwereld. Uitgevers doen alles om een bepaald segment/doelgroep te beheersen. Veel kleine markten voor specifieke informatie: sport, economie, mode, gadgets enz… Daardoor meer tijdschriften. Door actief te zijn op meerdere segmenten loop je grote economiesche risico’s. Een groter blad kan het kleine blad van de kaart af halen als de uitgever meerdere bladen beheert is de kans op kostprijs kleiner.

–         Doelgroepenmedia en netprofilering bij tv-zenders, Bij commerciële zenders worden zenders en programma’s afgestemd op specifieke doelgroepen. Zo is RTL 4 meer voor gezinnen en RTL 5 meer voor jongeren. Bij publieke omroepen heet dit net-profilering zo is NPO 1 voor het nieuws, NPO 2 voor achtergrond en NPO 3 voor de jeugd. Deze ontwikkelingen zijn gelijk aan marktsegmentering bij tijdschriften.

–          Persconcentratie bij de dagbladen en mediaconcentratie door het ontstaan van mediagiganten, mediaconcentratie in de vorm van media giganten leidt onder andere tot meer eenzijdige berichtgeving over het wereldnieuws. Door deze berichtgeving van onder andere internationale persbureaus als CNN en Reuters (die een groot deel leveren van onze nieuwsberichten). De kritiek is dat ons beeld van die gebeurtenissen in de wereld hierdoor westers gekleurd is. Persconcentratie brengt het gevaar van monopolie vorming, waardoor de kwaliteit afneemt en de pluriformiteit minder wordt (minder keuze in kranten).

5.3

Verschraling= het proces waarbij amusement andere maatschappelijke functies van de media verdringt. (ook wel: vertrossing genoemd, omdat TROS eerste publieke omroep was die amusement uitzenden en het primair stelde.)

Verschraling en kwaliteitsverlies komt vaak in het publieke/ politieke debat. Linkse partijen vinden dat amusement beter past bij commerciële zenders en kwaliteitstelevisie bij publieke omroepen. Rechtse partijen zijn voor meer amusement bij de publieke omroep, zodat er meer eigen inkomsten zijn.

Mediahype= nieuws dat zichzelf versterkt zonder dat zich nieuwe feiten voordoen. (ook wel: papagaaiencircuit genoemd.)

Mediaframe= berichtgeving over een onderwerp die zich steeds vanuit de zelfde perspectief plaatsvindt.

6.1

Nieuwswaarde= hoe belangrijk het nieuws is.

Nieuwscriteria:

  • Actueel
  • Opvallend, onverwacht, verrassend en/of schokkend
  • Cultureel of geografisch dichtbij
  • Belangrijke, bekende personen
  • ‘Human-interest aspect’: drama, emotie, conflict
  • Afwijkend (vooral in negatieve zin)
  • Ondubbelzinnig en begrijpelijk
  • Er is beeldmateriaal van beschikbaar ( voor tv)
  • Interessant voor doelgroep medium
  • Gerelateerd aan politieke, sociaaleconomische, financiële en/of culturele ontwikkelingen en kwesties
  • Past binnen identiteit van medium

Nog geen 1% van nieuws kan worden gebruikt.

Selectieve perceptie nieuwsmaker= de nieuwskeuze en de berichtgeving worden gestuurd door het persoonlijke referentiekader van de redacteur of verslaggever.

Belangrijkste nieuwsbronnen:

  • Personen of instellingen (op eigen initiatief)
  • Overheid (dmv persconferenties of rapporten, Wet openbaarheid en bestuur (WOB) heeft overheid actieve informatie plicht)
  • Correspondenten (buitenland niet vast in dienst, wanneer er wat belangrijks gebeurd contacteren ze de redactie, die soms opdracht geeft om een rapportage te maken)
  • Freelancejournalisten ( schrijven over gespecialiseerde onderwerpen zoals onderwijs, klimaat en religie)
  • Persbureaus (Nieuwsredacties hebben contact met 3 of 4 persbureaus zoals: Algemeen Nederlands Perbureau (ANP). De anp-redacteuren maken een selectie uit buitenlandse berichten die zij van internationale persbureaus binnen krijgen. ANP vertaalt die berichten. Nederland kent ook de Geassocieerde Pers Diensten (GPD), die nationale en internationale berichtgeving verzorgt voor enkele regionale dagbladen. Ook heb je internationale persbureaus zoals: Associated Press, Reuters, Agence France Press, Deutsche Presse Argentur)
  • Persdiensten (kranten kunnen tegen betaling gebruik maken van belangrijke buitenlandse kranten, zo maakt Volkskrant gebruik van The New York Times.)
  • Beeldmateriaal (Naast de feiten is goed en recent beeldmateriaal nodig bij de presentatie van een nieuwsfeit. Foto’s worden van grote persbureaus gekocht die over een eigen fotoservice beschikken. Voor filmmateriaal kunnen de redactie terecht bij internationale of Europese televisiemaatschappijen, zoals CNN, ABC, CBS.)

Nieuws uit de derde wereld wordt vaak gemaakt uit westers optiek, aangezien er weinig contacten zijn. Er is weinig aandacht voor ontwikkelingsprocessen, maar veel voor oorlog, rampen, aids en hongersnood.

6.2

Het is de taak van journalisten om nieuws objectief en waarheidsgetrouw in beeld te brengen.

Journalistieke normen:

  • Het scheiden van meningen en feiten
  • Hoor en wederhoor toepassen (alle betrokkenen ondervragen)
  • Controleren van de feiten
  • Meerdere informatie bronnen raadplegen
  • Een juiste weergave van feiten

Wanneer een journalist zich niet aan de normen houdt is er sprake van onbewuste kleuring (subjectiviteit), omdat journalisten altijd vanuit hun referentiekader en selectieve perceptie werken (of ze nu willen of niet). Ontvangers van mediaboodschappen krijgen we altijd een door de zender geïnterpreteerd beeld van de werkelijkheid.

Iedere media heeft bewuste kleuring een bepaalde identiteit.

Bij nieuwsweergeving bepalen een aantal factoren de identiteit van het medium:

  • De keuze van onderwerpen van de redactie
  • De volgorde van berichten
  • De presentatie (de lay-out, de koppen, de foto’s en de lengte van artikelen, bij tv cameravoering en montage)
  • Het eigen commentaar
  • Het woordgebruik (soms worden bepaalde woorden wel/niet gebruikt dat heeft te maken met de identiteit van het medium)
  • Het gebruik van de (deskundige) gastschrijvers. Maken gebruik van freelancejournalisten of columnisten.

Manipulatie= het vervormen van nieuws door het opzettelijk weglaten of verdraaien van de feiten

Indoctrinatie= het systematisch opdringen van opvattingen door meningen als feiten te presenteren

In dictaturen vind manipulatie en indoctrinatie nog steeds plaats.

Mediaframes:

  • Confictframe (waarbij de nadruk ligt op conflicten tussen partijen of individuen)
  • Human-impactframe (waarbij de nadruk ligt op de menselijke kant van een verhaal, de emotionele kans)
  • Economisch-gevolgenframe (waarbij de nadruk ligt op economische consequenties van een gebeurtenis)
  • Machteloosheidsframe (waarbij de nadruk ligt op onmacht en onverantwoordelijkheid van de situatie)
  • Moraliteitsframe (waarbij de indruk ligt op scheiding ‘goed’ versus ‘slecht’)

7.1

Cultuur= alle waarden, normen en andere aanleerde kenmerken die de leden van een groep of samenleving met elkaar gemeen hebben en die min of meer als vanzelf sprekend beschouwen.

Cultuur elementen= geloof, tradities, taal en eten

Normen= specifieke regels in een groep of samenleving waarmee mensen hun eigen gedrag en het gedrag van anderen beoordelen

Waarden= principes die mensen belangrijk vinden om na te streven

Relatief= verschillend naar plaats en tijd

Nature-aanhangers= Deze leggen de nadruk op biologische of erfelijke factoren. Emoties en driften zijn erfelijk bepaald.

Nurture-aanhangers= Gevoelens en emoties worden aangeleerd en zijn afhankelijk van het sociale milieu en de omgeving waarin iemand opgroeit.

Tegenwoordig gaan de meeste sociologen ervan uit dat het gedrag van mensen een combinatie is van bovengenoemde factoren.

Dominante cultuur= Hier spreken we van als de cultuurkenmerken gedragen worden door een groep die binnen een samenleving overheersend is en vaak de meeste invloed heeft op het economische en politieke leven.

Subculturen= Hiervan is sprake wanneer een groep waarden, normen en andere cultuurkenmerken heeft die deels afwijken van de dominante cultuur.

Voorbeelden zijn:

– Religieuze subculturen (strenggereformeerden en Jehova’s getuigen);

– Jongerenculturen (punkers, alto’s, hippies, pas vanaf eind jaren ‘50);

– Bedrijfsculturen (uitstraling van bedrijf, Ikea hanteert informele cultuur (jij/je);

– Etnische culturen (Nederlandse Surinamers, hebben vaak contact met een dominante cultuur in een ander land);

– Tegenculturen/contracultuur (milieuactivisten, verzetten zich tegen de dominante cultuur).

7.2

Collectieve gedragspatronen= gedragingen die door iedereen binnen de cultuur op een vergelijkbare manier worden aangenomen

Socialisatieproces= door middel van beïnvloeding en aanpassing waarden en normen van een cultuur overgedragen aan een individu

Internalisatie van een cultuur = onbewust heb je je al je leven lang ontelbare cultuurelementen eigen gemaakt die nu als vanzelfsprekend ervaart

Socialiserende instituties= instellingen en organisaties waarmee cultuuroverdracht in een samenleving plaatsvindt

Socialiserende instituties:

  • gezin
  • school
  • werk
  • maatschappelijke groeperingen
  • overheid
  • media

Datgene wat je als je eigen ‘ik’ ofwel je persoonlijke identiteit beschouwt, wordt mede gevormd door de sociale ervaringen die je in de loop van leven op doet.

Sociale controle= de wijze waarop mensen andere mensen stimuleren of dwingen zich aan de geldende normen te houden.

Sociale controle gaat vaak gepaard met sancties, die een positief en een negatief karakter kunnen hebben, namelijk belonen en straffen

massamedia-2

7.3

Stereotype= een sterk gegeneraliseerd, versimpeld en vertekend beeld van het gedrag en de mentaliteit van een bepaalde groep

Vooroordeel= een mening of houding die niet of onvoldoende op feiten of ervaringen is gebaseerd (vooral negatief)

Discriminatie= waarbij je mensen van een bepaalde groep anders behandeld op grond van kenmerken die in de gegeven situatie niet van belang zijn

Selectieve perceptie= zorgt ervoor dat vooroordelen worden bevestigd

Maatschappelijke zuilen: Katholieken, protestanten, socialisten en liberalen

Elke zuil had eigen voorzieningen zoals kranten en omroepen:

  • Katholieken, KRO en Volkskrant
  • Protestants-christelijke, NCRV en Trouw
  • Socialisten, VARA en Het Parool

Ontzuiling -> jaren ‘60

Democratisering= meepraten ( wat te zeggen hebben)

Secularisering= kerk minder belangrijk in leven van mensen

Multiculturele/pluriforme samenleving= mensen met verschillende culturele achtergronden naast en met elkaar wonen. (jaren ’70)

Soms is dat moeilijk en bij etnische culturen staan de Nederlandse cultuur diepgewortelde waarden en normen tegenover elkaar. (cultuurverschillen)

De Etnische culturen voelen zich onvoldoende vertegenwoordigd in de Nederlandse media.

8.1

Macht= andermans gedrag kan veranderen, zonder dat hij dat zelf wil.

Machtsmiddelen= geweld, geld, kennis en getal

Invloed= het ompraten met behulp van argumenten

Klassieke theorieën:

  • Injectienaald theorie (De theorie die er vanuit gaat dat ontvangers informatie klakkeloos overnemen. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen verschillende mensen, iedereen zou hetzelfde reageren op mediaboodschappen.)
  • Druppelsgewijze beïnvloeding (Herhaaldelijk dezelfde boodschap verzenden waardoor mensen langzaam de boodschap beginnen te geloven.)
  • Selectieve perceptie (Intermediërende factoren= Factoren die werken als filters en als ware tussen de zender en de ontvanger instaat.)

4 van deze mechanismen:

  • Selectieve keuze, Mensen hebben de neiging alleen naar dingen te kijken die binnen zijn / haar referentiekader vallen.
  • Selectieve waarneming / selectieve perceptie, We zijn geneigd informatie zo te vervormen dat het klopt met wat we al dachten.
  • Selectief geheugen, We zijn selectief bij het onthouden van mediaboodschappen. Informatie die niet bij ons referentiekader aansluit vergeten we sneller.
  • Selectief geloven, Het karakter van het medium bepaalt hoeveel geloof we hechten aan de berichtgeving.

8.2

Moderne beïnvloeding theorieën:

  • Cultivatietheorie (Mensen gaan geloven in de “televisiewerkelijkheid” naarmate de televisie een grotere rol speelt in hun leven. Hoe meer tv de mensen kijken, hoe meer ze de werkelijkheid van deze fictieve programma’s gaan geloven.)
  • Agendasettingtheorie (De media bepalen niet zozeer wat we denken over bepaalde onderwerpen maar ze hebben wel invloed op waarover we denken en praten. Ze hebben dus invloed op de publieke agenda en hierdoor ook op de politieke agenda.)
  • Framingtheorie (De media zorgen ervoor dat we over dingen gaan nadenken maar ze zorgen er ook voor dat we gaan nadenken over de dingen vanuit het frame waaruit we de boodschap krijgen. Als bijvoorbeeld bij een reportage de nadruk wordt gelegd op de oorzaak van het conflict gaan we zelf ook sneller in oorzaken denken.)

Framebuilding= Het proces waarin een mediaframe tot stand komt

Mediaframe= Manier waarop een onderwerp wordt geïnterpreteerd en gepresenteerd.

Framesetting= Een mediaframe beïnvloed de manier van denken van mensen.