Maatschappijwetenschappen Politiek

Datum 15 oktober 2015
Uploader Anoniem
Niveau HAVO

Een samenvatting voor het boek "politiek" voor maatschappijwetenschappen. Bedankt voor onze anonieme uploader, upload ook jouw samenvatting nu ook (anoniem)!

Samenvatting downloaden of printen
Stuur jouw samenvatting
Inhoud

1.1

Politicologie= de wetenschap die politiek onderzoekt

Het begrip politiek heeft meerdere betekenissen:

  • Politiek als beleid: de maatregelen van de ministers (en hun ambtenaren) waarmee zij bepaald probleem willen aanpakken en oplossen. Zoals drugsbeleid, onderwijsbeleid en economisch beleid.
  • Politiek als staatsrichting: het geheel aan regels waarin is vastgelegd hoe een land bestuurd wordt. Voorbeeld: Macht van staatshoofd.
  • Politiek als strategie / handelwijze: om een doel te bereiken. Als de vereniging milieudefensie bomen koopt op het stuk land waar een landingsbaan van Schiphol is gepland, dan is dat hun ‘politiek’ om de aanleg te voorkomen/ vertragen.
  • Politiek als synoniem voor behendig, sluw, slim en achterbaks: iemand die geen rechtsreeks antwoord geeft op een vraag, maar er omheen praat om zich niet bloot te geven, geeft een ‘politiek’ antwoord.

Politiek: een proces van omzetting van verlangens, wensen en eisen vanuit de samenleving met bindende besluiten (ook wel: proces van politieke besluitvorming)

Politiek probleem: een situatie die een grote groep ongewenst vindt, die ontstaan is door maatschappelijke ontwikkelingen, die te maken heeft met tegengestelde belangen en die de mensen (mede) door overheidsingrijpen veranderd willen zien

Publieke agenda: problemen die aandacht krijgen van burgers en maatschappelijke groeperingen

Door media–aandacht of bemoeienis van belangengroeperingen kunnen problemen die op de publieke agenda staan politieke problemen worden en op de politieke agenda komen te staan.

Politiek probleem → politieke agenda → besluit (=wet)

↑                   ↑

Media       Actiegroepen

Overheidsbeleid: de genomen besluiten van en de getroffen maatregelen door de politiek

Overheidsbeleid: een politiek bekrachtigd plan, waarin gekozen doelen en het inzetten van middelen in een bepaalde tijdsvolgorde zijn vastgesteld

1.2

Collectieve belangen: de politiek buigt zich over kwesties die op de meeste mensen van belang zijn

Collectieve goederen: goederen die in het algemeen belang geacht worden, die moeilijk via de markt kunnen worden aangeboden, maar die in principe voor iedereen beschikbaar zijn vb: lantarenpalen.

Collectieve diensten: vb: verdediging van land door leger of organiseren verkiezingen 2e kamer

Sociaal contract: in ruil voor de overheidsvoorzieningen, aanvaarden burgers een beperking van hun (financiële) vrijheid. Vb: een goed wegennet → financiële bijdrage, beperkt vrije besteding. Op immaterieel gebied geldt hetzelfde vb: overheid zorgt voor goede rechtsorde → burgers mogen niet eigen rechter spelen.

Kerntaken van de Nederlandse overheid:

  • het garanderen van openbare orde en veiligheid: (zoals het zorgen voor voldoende agenten, rechters, maar ook celruimte)
  • het garanderen van mensenrechten
  • het onderhouden van goede buitenlandse betrekkingen: (zoals samenwerkingsverbanden als de EU en NAVO, maar ook een land als China)
  • het scheppen van werkgelegenheid, sociale zekerheid, goede arbeidsomstandigheden, infrastructuur en een goed economisch klimaat’
  • het zorgen van welzijn, onderwijs, volksgezondheid, kunst en andere goederen en diensten op sociaal-cultureel gebied

1.3

De Nederlandse staat, betekent dat:

  • de overheid over soevereine macht beschikt
  • er sprake is van een bevolking, waarover geregeerd wordt
  • het grondgebied internationaal erkend is
  • de overheid beschikt over geweldsmonopolie

Geweldsmonopolie: alleen de overheid mag geweld gebruiken

Macht: het vermogen om het gedrag van anderen, eventueel tegen hun zin, te beïnvloeden

Machtsmiddelen (machtsbronnen) VB:

  • geld
  • kennis
  • wetten
  • bevoegdheden
  • aantal
  • geweld

Politieke macht: het vermogen om politieke besluitvorming te bepalen

Gezag: mensen accepteren de macht of zeggenschap van anderen als legitiem

Invloed: je veranderd vrijwillig je gedrag

In een dictatuur is de politieke macht in handen van 1 persoon of een kleine groep mensen. (denk bijvoorbeeld aan Noord-Korea)

2.1

Rechtstaat: een staat waarin de rechten en plichten van zowel inwoners als van de overheid zijn vastgelegd zodat de burgers beschermd worden tegen machtsmisbruik door de overheid

Zonder rechtstaat is er geen democratisch bestaan, want alleen in een rechtstaat kunnen burgers gebruik maken van politieke grondrechten. De rechtstaat is dus een voorwaarde van een democratie.

Democratische rechtstaat: een staat waarin de macht door of namens het volk wordt uitgeoefend binnen de grenzen van de grondwet, zodat de individuele grondrechten worden beschermd

Een democratische rechtstaat heeft 3 kenmerken:

  • er is sprake van een grondwettelijke scheiding van de poltieke macht
  • de (politieke) grondrechten worden geëerbiedigd
  • het bestuur van het land is gebaseerd op het legaliteitsbeginsel

De fransman Montesquieu heeft in de 18e eeuw de trias politica (scheiding der machten).

De trias politica (scheiding der machten) bestaat uit:

  • Wetgevende macht: stelt wetten vast waar iedereen in Nederland zich aan moet houden. In Nederland bestaat de wettelijke macht uit: de regering (staatshoofd en ministers) en het parlement (1e en 2e kamer). Ze hebben beide het recht om een wetsvoorstel in te dienen. Het parlement beslist daarna of de wet daadwerkelijk een wet wordt. Uiteindelijk bekrachtigd de regering een handtekening onder de wet.
  • Uitvoerende macht: zorgt ervoor dat de wetten ook worden uitgevoerd. Hier zijn de ministers verantwoordelijk voor. Het parlement controleert of de uitvoerende macht goed zijn werk doet. De verantwoordelijke minister kan dan tot verantwoording worden geroepen. Als de kamer ontevreden is met het antwoord van de minister kan zij een motie van wantrouwen indienen (en kan de minister aansporen tot ontslag te nemen)
  • Rechtelijke macht: beoordeelt of de wetten goed worden nageleefd. De macht is in Handen van onafhankelijke rechters. Zij beoordelen of iemand een wet overtreedt en kunnen een overtreder bestraffen. Ook oordelen zij in situaties waarin burgers vinden dat hun door de overheid onrecht is aangedaan.

De belangrijkste rechten van burgers zijn opgenomen in hoofdstuk 1 van onze grondrecht. We spreken daarom ook wel van grondrechten / mensenrechten.

Er zijn 2 soorten grondrechten:

  • Klassieke grondrechten: de rechten die de vrijheid en gelijkheid van burgers moet garanderen, zoals vrijheid van meningsuiting. (zijn afdwingbaar)
  • Sociale grondrechten: verplichten de overheid te zorgen voor voldoende werkgelegenheid, sociale zekerheid, een schone en veilige leefomgeving, goede volksgezondheid, voldoende woonruimte, goed onderwijs enz.

Legaliteitsbeginsel: hoe ons land wordt bestuurd staat vast in de grondwet

al onze rechten en plichten (ook die van de overheid) staan vast in wetten. We kunnen ons er altijd op beroepen

2.2

Constitutionele monarchie: monarchie met een grondwet

Constitutionele taken van koning:

  • Lidmaatschap regering en voorzitter raad van state
  • Plaatsen handtekening onder alle wetten
  • Voorlezen troonrede op Prinsjesdag
  • Benoeming nieuwe ministers en staatssecretarissen bij vorming van nieuwe kabinet

Niet-constitutionele taken van koning:

  • Het overleggen met de minister-president over het kabinetsbeleid
  • Ons land vertegenwoordigen op staatsbezoeken
  • Het ontvangen van buitenlandse staatshoofden

Staatshoofd is onschendbaar.

Onschendbaar: boven de wet (=letterlijk), koning hoeft zich niks van de wet aan te trekken

Parlementaire democratie: wij stemmen niet zelf, maar kiezen een parlement dat namens ons stemt

Kenmerken van onze parlementaire democratie:

  • Het volk wordt vertegenwoordigd door een parlement dat door vrije en geheime verkiezingen worden gekozen. We noemen dit indirecte/ representatiedemocratie
  • Alle burgers zijn gelijk aan de wet en hebben gelijke invloed op de samenstelling van het parlement
  • Ministers zijn verantwoording schuldig aan de gekozen volksvertegenwoordiging
  • Het kabinet voert beleid op basis van het vertrouwen van de meerderheid van de volksvertegenwoordiging
  • De macht van de overheid wordt (indirect) gelegitimeerd door de vrije en geheime verkiezingen, die uiterlijk om de 4 jaar plaats vinden
  • Besluitvorming door regering en parlement vindt plaats bij meerderheid van stemmen
  • Het parlement is geen ‘dictatuur van de meerderheid’ maar houdt rekening met de rechten en belangen van minderheden
  • Er is sprake van een tweekamerstelsel, waarbij het politieke primaat bij de direct gekozen 2e kamer ligt. De indirect gekozen 1e kamer (of Senaat) vervult de rol van laatste controle en wordt daarom ook wel ‘Kamer van reflectie’ genoemd

3.1

Actief kiesrecht: het recht om te kiezen

Passief kiesrecht: het recht om gekozen te worden

Kiesstelsel: hoe organiseer je de politiek

Er zijn verschillende soorten kiesstelsels:

  • Evenredige vertegenwoordiging: alle uitgebrachte stemmen worden verdeeld over het beschikbare aantal zetels (in Nederland) 

Voordeel: iedere stem telt even zwaar mee bij de verdeling van zetels

Nadeel: veel kleine partijen met 1 of meer zetels, waardoor een debat onoverzichtelijk wordt

Nadeel: ook is het met zoveel partijen soms moeilijk om een regering te formeren, omdat een stelsel van evenredige vertegenwoordiging bijna automatisch leidt tot een meerpartijenstelsel

  • Districtenstelsel: het land wordt verdeeld in een bepaald aantal gebieden. De kandidaat die de meeste stemmen haalt in dat gebied, wordt afgevaardigde naar de volksvertegenwoordiging (in Verenigde Staten / Engeland)

Voordeel: kiezers kennen kandidaat beter er is dus een sterkere binding tussen kiezer en kandidaat

Voordeel: meer duidelijkheid voor kiezers, want in praktijk leidt het altijd tot een twee –of driepartijenstelsel

Nadeel: partij met meeste stemmen krijgt minste zetels

Nadeel: fractiediscipline, want in een districtenstelsel vertegenwoordigen de gekozen politici de belangen van hun district. Die kunnen haaks staan op het landsbelang of zelfs bosten met de ideologie van een politieke partij 

  • Meerderheidsstelsel: hierbij wint in een district de kandidaat die de absolute meerderheid haalt (in Frankrijk)

Kiesdeler: de hoeveelheid stemmen die je nodig hebt voor een zetel

Kiesdrempel: een partij moet dan een bepaald minimumpercentage stemmen halen om mee te delen in zetels (in Duitsland)

Fractiediscipline: de afspraak om bij wetsvoorstellen hetzelfde te stemmen als de andere partijleden

3.2

Representatie: vertegenwoordiging

Representiviteit: de mate waarin standpunten en besluiten van gekozen vertegenwoordigers overeenkomen met de wens van de kiezers

Bij representatie en representiviteit spelen de volgende kernpunten een rol:

  • Partijen volgen niet altijd de ideeën van hun kiezers
  • Vanwege de geringe communicatie tussen kiezer en gekozene weten vertegenwoordigers niet altijd precies wat de kiezers willen. (partijen denken hier verschillend over problematisch dit is)
  • Actieve kiezers hebben meer kans vertegenwoordigd te worden dan inactieve kiezers. Burgers die actief participeren in de politiek (vb: partijvergadering bewonen) worden eerder en vaker gehoord dan burgers die alleen maar hun stem uitbrengen bij verkiezingen
  • Er is een groep kiesgerechtigden die zich nooit vertegenwoordigd voelt. Vaak besluiten zij niet te stemmen. Soms omdat politiek zich niks interesseert. Uit onvrede stemmen ze ook wel eens op een protestpartij.

3.3

Verkiezingsprogramma: hierin staan de belangrijkste plannen en opvattingen van de partij’

Bij verkiezingsdebatten richten lijsttrekkers zich vooral op de zogenaamde zwevende kiezers

zwevende kiezers: de mensen die niet elke keer op dezelfde partij stemmen en tijdens de verkiezing nog niet weten op welke partij ze willen stemmen

kabinetsformatie:

  1. De nieuwe 2e kamer wordt geïnstalleerd
  2. De 2e kamer benoemt na een debat een of meer informateurs
  3. De informateur onderhandeld met mogelijke coalitiepartners
  4. De informateur schrijft coalitieafspraken op in een regeerakkoord
  5. 2e Kamerfracties van de coalitiepartijen onderschrijven het regeerakkoord
  6. De 2e kamer benoemd formateur(= vaak minister-president)
  7. De formateur zoekt geschikte bewindslieden (=ministers)
  8. De koning benoemd bewindslieden nadat zij trouw beloofd of gezworen hebben
  9. Het kabinet wordt gepresenteerd aan publiek
  10. De minister-president leest regeringsverklaring voor

In Nederland moet het kabinet kunnen rekenen op de meerderheid in het parlement.

Een kabinetsformatie door middel van coalitievorming is een moeizame en tijdrovende kwestie.

Vaak moeten er compromissen gesloten worden, waardoor de verkiezingsbelofte afzwakken

Het regeerakkoord: plannen die het kabinet in 4 jaar wilt bereiken.

Installatie nieuwe ministers:

  1. De koning ondertekend aanslagaanvraag van de vertrekkende (demissionaire) bewindspersonen (=ministers)
  2. Nieuwe bewindspersonen worden benoemd
  3. Nieuwe ministers-president contrasigneert zijn eigen benoeming en van de andere ministers, daarmee neemt hij de verantwoordelijkheid voor deze besluiten op zich
  4. De koning neemt zuiveringseed af
  5. Bordesscene: nieuwe kabinet aan publiek gepresenteerd

Soorten kabinetten:

  • Meerderheidskabinet: het kabinet steunt op een parlementaire meerderheid (coalitie meer dan 75 zetels)
  • Minderheidskabinet: bewindslieden van partijen die samen geen meerderheid in de 2e kamer hebben. Zo’n kabinet kan moeilijk eigen beleid volgen omdat de oppositie meer zetels heeft en kabinetsvoorstellen kan blokkeren
  • Extraparlementair kabinet: kabinet dat buiten de 2e kamer is ontstaan. De fracties van de 2e kamer voelen zich niet verbonden om het kabinet te steunen en hebben zich ook niet gebonden aan een regeerakkoord
  • Koninklijke kabinetten: worden op gezag van de koning geformeerd, zonder dat de fracties in de 2e kamer er aan pas komen.

Val van een kabinet:

  • Minister kan ontslag vragen aan koning, geen nieuwe verkiezingenà nieuwe minister
  • Hele kabinet biedt ontslag aan. Dit gebeurd als ministers of partijen in het kabinet een overbrugbaar conflict hebben of als de tweede kamer het vertrouwen in het kabinet opzegt. In het geval van zo’n kabinet crisis zijn er 2 mogelijkheden:
  1. Wordt een nieuw kabinet geformeerd. Als er mogelijkheden zijn om een nieuw kabinet samen te stellen, wordt er een nieuwe (in) formateur benoemd.
  2. Er worden nieuwe verkiezingen uitgeschreven. Dit gebeurt als het kabinet valt over een kwestie waar de gemoederen (ook onder de bevolking) hoog overlopen. Het oude kabinet wordt gevraagd om dan tijdelijk de gang van zaken waar te nemen. Dit heet een demissionair kabinet (een kabinet zonder missie)

4.1

Kabinet: de ministers en staatssecretarissen

Regering: koning en de ministers

Koning is onschendbaar à de koning hoeft niet zijn verantwoording te geven aan de 1e en 2e kamer.

Ministers hebben 3 hoofdtaken:

  1. Beleidsvoorbereiding: op basis van het regeerakkoord maakt de regering jaarlijks beleidsplannen bekend. Dit gebeurd in de troonrede, met de miljoenennota.
  2. Medewetgeving: samen met het parlement vormt de regering de wetgevende macht. Ministers hebben 3 rechten / bevoegdheden:

– het indienen van wetsvoorstellen (90% ministers, 10% 2e kamer)

– het mede ondertekenen van wetten na goedkeuring parlement. Elke wet krijgt handtekening van koning en verantwoordelijke minister. Zonder handtekening van minister, het contraseign, is de wet niet geldig

– het nemen van Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) om eerder aangenomen raamwetten nader in te vullen. Een AMvB heeft geen parlementaire goedkeuring nodig, maar wordt bij koninklijk besluit geregeld.

  1. Beleidsuitvoering: de uitvoerende macht is geheel in handen van ministers. Dit leidt tot de volgende werkzaamheden:

– het uitvoeren van aangenomen wetten

maatregelen die uitvloeien bij eerder aangenomen wetten

– het nemen van besluiten over zaken waar geen specifieke wetgeving over bestaat en waar geen goedkeuring van het parlement bij nodig is.

Troonrede: hoofdlijnen van het uit te voeren beleid van het komende jaar. Word voorgelezen door koning op Prinsjesdag

Miljoenennota: samenvatting van rijksbegroting, bevat per ministerie concrete voornemens met een financiële onderbouwing

Algemene beschouwingen: na Prinsjesdag wordt er door de 2e kamer gedebatteerd over de miljoenennota en kunnen 2e Kamerleden wijzing voorstellen indienen. Daarna wordt er over de wetsvoorstellen gewerkt

4.2

Staten-Generaal à volksvertegenwoordiging

2e kamer (150 leden). De 2e kamer heeft 2 hoofdtaken: (mede)wetgeving en controle

Om haar taak als medewetgever te vervullen heeft de 2e kamer een aantal rechten:

  • Stemrecht: recht om wetsvoorstellen goed -of af te keuren
  • Recht van amendement: het recht om een deel van een wetsvoorstel te wijzigen
  • Recht van initiatief: het recht om wetsvoorstellen in te dienen
  • Budgetrecht: het recht om de jaarlijkse begroting aan te nemen of te verwerpen

Als de wetsvoorstellen zijn aangenomen zijn, gaan de ministers de wetten uitvoeren. De 2e kamer houdt nauwkeurig in de gaten of de ministers daarbij effectief en efficiënt te werk gaan.

Effectief: de inzet van maatregelen het verwachte resultaat heeft

Efficiënt: het resultaat met zo weinig mogelijk middelen (met name geld) behaald wordt.

De tweede kamer heeft bij haar controlerende taak de beschikking over de volgende rechten:

  • Vragenrecht: het stellen van vragen aan de bewindslieden (binnen 3 weken beantwoorden, elke dinsdag vragenuurtje voor dringende vragen)
  • Het recht van interpellatie: het ter verantwoording roepen van bewindslieden over het (voorgenomen) regeringsbeleid. Door een interpellatie wordt de vastgestelde agenda van de Kamer doorgebroken en volgt er een spoeddebat. (minimaal 30 leden om dit te laten gebeuren)
  • Het recht op motie: de mogelijkheid van de Tweede Kamer om een schriftelijke uitspraak te doen over het beleid van een minister. Een motie kan ook een blijk van afkeuring zijn. Bij een motie van afkeuring wordt het beleid van de minister afgekeurd, bij een motie van wantrouwen wordt de minister zelf negatief beoordeeld.
  • Het recht op een enquête: de mogelijkheid van de Tweede Kamer om zelfstandig een onderzoek in te stellen als de Kamer naar haar mening onvoldoende informatie van de regering krijgt. In dat geval worden getuigen onder ede verhoord door een enquêtecommissie.

De Eerste Kamer (75 leden), wordt ook wel het senaat genoemd. In de Eerste Kamer heb je geen fulltimebaan, want er wordt maar 1 keer per week vergaderd.

De Eerste Kamer moet wetsvoorstellen toetsen aan staatsrechtelijke normen en kijkt of er spake is van een behoorlijke wetgeving. De Eerste Kamer vervult dus de rol van laatste controle.

Rechten Eerste Kamer:

  • Het recht om schriftelijk vragen te stellen
  • Het recht op een enquête

Politieke primaat: dat de politieke afweging die van de Tweede Kamer maakt, zwaarder weegt dan die van de Eerste Kamer

Eerste kamer à indirect gekozen (provinciale staten)

Tweede kamer à direct gekozen (verkiezingen)

Naast de formele rechten hebben de Eerste en Tweede Kamer ook informele middelen om het proces van politieke besluitvorming te beïnvloeden:

  • Lobbyen bij ministers: door persoonlijke contacten de minister overtuigen van jouw standpunten. Vooral als de minister van dezelfde partij is als het Kamerlid is dit een sterk machtsmiddel
  • Overleggen met ambtenaren en pressiegroepen voor het verwerven van steun: als er sprake is van een maatschappelijk draagvlak, is de kans veel groter dat een wetsvoorstel wordt aangenomen
  • Gebruiken van massamedia: bijvoorbeeld door interviews aan kranten en opiniebladen te geven, waarin een Kamerlid zijn of haar visie naar buiten brengt en soms opzettelijk nieuws laat ‘lekken’

4.3

Land Provincie Gemeente
Voorzitter Minister-President Commissaris van koning Burgemeester
Dagelijks Bestuur Regering Gedeputeerde Staten Het college van B&W
Gekozen Parlement Provinciale Staten Gemeenteraad

Gedecentraliseerde eenheidsstaat: rijksoverheid stelt grote lijnen van beleid, lagere overheden vullen de details

Subsidiariteitsbeginsel: decentraal wat kan, centraal wat moet

Belangrijkste taken provincie= ruimtelijke ordening en milieu

Stelt streekplannen op, waarbij ze rekening moeten houden met het rijksbeleid. Het Rijk geeft soms aanwijzingen bij streekplannen.

Een keer in de 4 jaar à provinciale verkiezingen (Gekozen vertegenwoordigers in de Provinciale Staten)

de Gedeputeerde Staten: de leden van de Provinciale Staten onderhandelen over een verbond van twee of meer volken die het dagelijkse bestuur vormt

De Commissaris van de Koning is de voorzitter van: de Gedeputeerde Staten als Provinciale Staten. Deze wordt niet gekozen, maar benoemd door het staatshoofd ( in praktijk door de minister van Binnenlandse Zaken )

De gemeente staat het dichtst bij de burger, qua bestuur. Verantwoordelijk voor een ordelijk verloop van het openbare leven in een gemeente.

Voorbeeld verantwoordelijkheden:

– huwelijken, geboorten, sterfgevallen in het bevolkingsregister

– politie, brandweer, ophalen vuilnis, groenvoorziening, bouwvergunningen

Naast deze uitvoerende taken zijn er de laatste jaren steeds meer beleidstaken vanuit Den Haag naar de gemeenten gedecentraliseerd: bijstandsgerechtigden, onderwijsbeleid, voorzieningen voor gehandicapten en opvang van asielzoekers

Gedachte: Een lagere overheid kan beter maatwerk leveren, omdat deze dichter bij het volk staat.

Bestuur van de gemeente: de gemeenteraad (De raadsleden worden eens in de 4 jaar gekozen)

Het dagelijkse bestuur van de gemeente: het College van Burgemeester en Wethouders (B&W)

Burgemeester wordt voor zes jaar benoemd à door de minister van Binnenlandse Zaken

5.1

Actoren: mensen/groepen die een rol spelen in de politiek

Politieke actoren:

  • Ambtenaren en adviesgroepen
  • Pressiegroepen en politieke partijen
  • De media

Ambtenaren: werken voor de overheid (in de politieke sector)

uitvoerend werk à politie, leraren, militairen, rechtelijke macht

taken ambtenaren:

  • Toezicht houden: duizenden accountants en andere financiële medewerkers die op de ministeries de geldstromen narekenen en controleren, Bijvoorbeeld: Autoriteit Financiële Markten (AFM), belastingdienst, De Nederlandsche Bank en de Algemene rekenkamer
  • Beleidsvoorbereidende ambtenaren: hebben sterke positie. Ambtenaren werken veel langer bij een departement dan een minister (dus meer dan 4 jaar) en beschikken over een meer specifieke kennis en ervaring op de vakgebieden van een ministerie. Vooral hoge ambtenaren die dicht bij de bewindslieden staan, kunnen hierdoor grote invloed uitoefenen à 4e macht (trias politica)

Overheidsbureaucratie: ambtenaren vormen samen een hiërarchisch geordend apparaat waarbinnen volgens vaste regels en procedures besluiten voorbereid en uitgevoerd worden.

Belangrijk kenmerk van overheidsbureaucratie is het onpersoonlijke karakter: de persoonlijke en politieke voorkeuren van ambtenaren mogen geen rol spelen in hun werk

Bureaucratie negatieve bijklank à mensen denken al snel aan: langdurige procedures, wirwar van regeltjes, onpersoonlijke behandeling en verkokering

Verkokering: als ambtenaren alleen vanuit hun eigen deskundigheid naar een beleidsterrein kijken

Advies organen: deskundigen die onder andere advies geven aan ministers

Belangrijkste adviesorganen:

  • Raad van State (RvS), adviseert bij alle wetsvoorstellen. voorzitter: de Koning vicevoorzitter: Piet Hein
  • De Sociaal-economische Raad (SER) adviseert de regering over belangrijke maatregelen op sociaal economisch gebied. (33 leden)
  • De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), o.a. de taak om wetenschappelijk gefundeerde informatie te verschaffen over de ontwikkelingen die op lange termijn de samenleving kunnen beïnvloeden en daarbij tijdig te wijzen op tegenstrijdigheden en te verwachten knelpunten, probleemstellingen te formuleren ten aanzien van de grote vraagstukken en beleidsalternatieven aan te geven
  • Onderwijsraad, geven deskundigen op het gebied van onderwijs en wetenschap gevraagd en ongevraagd advies aan de regering
  • Gezondheidsraad, de regering adviseert op het gebied van de gezondheidszorg
  • Centraal Planbureau (CPB), sociaal economisch ontwikkelingen in de toekomst
  • Sociaal en Cultureel Planbureau, doet onderzoek op het sociaal-cultureel gebied, zoals onderwijs, wonen, gedrag van mensen, gezondheidszorg enz.

5.2

Je hebt een aantal mogelijkheden om aan de politiek te participeren (niet beroep):

  • Electorale participatie: je kunt bij verkiezingen je stem uitbrengen, verder dan alleen stemmen. Je kunt je inzetten voor verkiezingscampagne of verkiezingsposter achter je raam hangen.
  • Niet-electorale participatie: je kunt als individuele burger actievoeren, denk aan demonstratie, een petitie ondertekenen of een burgerinitiatief.

Burgerinitiatief: Waarmee burgers een maatschappelijke kwestie op de politieke agenda plaatsen. Er zitten 2 voorwaarden aan verbonden.

1: kwestie moet geformuleerd zijn als concreet voorstel met duidelijke doelen, dat de laatste 2 jaar niet aan orde is geweest.

2: voorstel moet ondertekend zijn door 40.000 mensen

  • je kunt actief lid worden van een politieke partij of een pressiegroep

pressiegroepen: organisaties en groepen die bewust proberen invloed uit te oefenen op de politieke besluitvorming.

  1. Actiegroepen: vb: studiefinanciering à kort, 1 onderwerp
  2. Actieorganisaties: vb: Greenpeace à lang, 1 onderwerp
  3. Belangengroepen: vb: vakbond à lang, groep

Manieren hoe pressiegroepen politieke besluitvorming proberen te beïnvloeden:

  • Lobbyen: als organisaties met bepaalde belangen proberen om op informele manier via direct contact met politieke besluitvormers beleid in een voor hen gunstige richting te beïnvloeden
  • Demonstraties organiseren: om maatschappelijke kwesties onder aandacht te brengen is een demonstratie een geschikt middel
  • Een publiciteitscampagne opzetten: om de publieke opinie te beïnvloeden worden massamedia ingeschakeld
  • ‘Eigen mensen’ op sleutelposities brengen: als leden van een pressiegroep lid worden van een partij of zelfs gekozen worden als Kamerlid, Statenlid of gemeenteraadslid, geeft het de pressiegroep meer mogelijkheden om standpunten onder de politiek te brengen
  • Bezwaarschriften indienen: via wettelijke bezwaarprocedures, tot en met de Raad van State toe (via een AROB-procedure), kunnen pressiegroepen hun standpunten laten zien
  • Burgerlijke ongehoorzaamheid: iets dan wat niet mag volgens de wet, om aandacht te vragen voor een misstand (=iets wat fout is in de samenleving)

Politieke partijen functies politieke besluitvorming:

  • Articulatiefunctie: politieke partijen zetten wensen en eisen die in de maatschappij leven op de politieke agenda. Lukt als ze vertegenwoordigd zijn in alle politieke organen (Kamerleden, gemeenteraadleden, leden van Provinciale Staten) kunnen makkelijker aandacht vragen voor problemen in de samenleving
  • Communicatieve functie: politieke partijen nemen een standpunt in ten aanzien van verschillende kwesties en informeren daardoor kiezers ook over het overheidsbeleid. Zij vormen als ware een soort schakel tussen overheid en burgers en tussen kiezer en gekozenen
  • Aggregatiefunctie: voor duidelijke en slagvaardige stellingname is het belangrijk dat allerlei losse opvattingen samen worden gebracht. Daardoor worden politieke deelvisies samengebracht tot consistente en overzichtelijke gehelen. (= integratiefunctie: samenbrengen ideeën en standpunten tot 1 politiek programma)
  • Participatiefunctie: door informatie te geven en meningsvorming te bevorderen, proberen partijen burgers over te halen politiek actief te worden in hun partij
  • Recruterings –en selectiefunctie: politieke partijen werven nieuwe leden

5.3

Massamedia is 5e macht (trias politica)

5 politieke-informerende functies:

  • Informatiefunctie: De media zorgen ervoor dat burgers geïnformeerd worden over maatschappelijke en politieke onderwerpen. Daarnaast spelen de media een belangrijke rol bij de vorming van publieke opinie
  • Spreekbuisfunctie: Deze functie houdt in dat de massamedia de in de maatschappij bestaande standpunten verwoorden.
  • Commentaarfunctie: De media faciliteren het recht op vrije meningsuiting. Ze geven zelf commentaar op actuele gebeurtenissen, bijv.: via columns in kranten en blogs op het internet
  • Controle- of waakhondfunctie: De media controleren het functioneren van de overheid en andere publieke organisaties
  • Onderzoeksfunctie: het dieper graven naar de achtergronden van maatschappelijke gebeurtenissen en problemen.

6.1

Politiek systeem: een stelsel waarbinnen verlangens en eisen van individuen worden omgezet in bindende beslissingen en maatregelen

Het proces van politieke besluitvorming als een systeem om problemen op te lossen. 3 fasen van dat proces:

  1. De input van problemen
  2. De omzetting van problemen in maatregelen
  3. De output: de besluiten en wetten om dit op te lossen

Om het politieke systeem te voeden, komt er van verschillende kanten input of invoer.

Publieke agenda: maatschappelijke kwesties waarover in de media geschreven, gepraat en gediscussieerd wordt. Kwesties die politici belangrijk genoeg vinden om te bespreken komen op de politieke agenda à de politiek debatteert en probeert een oplossing te bedenken

In het proces om eisen op de politieke agenda te krijgen spelen de zogenaamde poortwachters een cruciale rol

Poortwachters: politieke actoren die in staat zijn om wensen en eisen op de politieke agenda te plaatsen.

In dictatuur à toevoer van eisen naar de politieke instellingen door die politieke instellingen zelf gecontroleerd en beheerst: kranten, radio en televisie staan onder controle en censuur van politieke machthebbers, vrije vakbonden en oppositiepartijen zijn altijd erbij verbonden

In democratie à aan ene kant: eisen naar voren, zo groot mogelijk zijn. Andere kant: politiek niet overstelpt raken door al die eisen. De stroom van eisen moet gereguleerd worden. Vandaar het beeld van poort –of sluiswachter

Tijdens de omzetting van het proces van besluitvorming spelen politieke organen, zoals 2e Kamer, de regering en gemeenteraden een grote rol.

Conversie: de omzetting van wensen en eisen in overheidsbeleid, is dan ook werk van politici en ambtenaren

De fase van omzetting verloopt in een reeks van min of meer opeenvolgende, subfasen:

  • Agendavorming
  • Beleidsvoorbereiding
  • Beleidsbepaling

Agendavorming: of een maatschappelijk probleem op de politieke agenda komt

of een maatschappelijk probleem op de politieke agenda komt, hangt af van de volgende 5 voorwaarden:

  1. Het aantal betrokkenen burgers of instellingen: hoe meer mensen betrokken zijn bij een probleem, hoe meer prioriteit
  2. De ernst van een probleem: als een probleem heftige emoties oproept, zal het sneller in de politiek besproken worden
  3. De oplosbaarheid van het probleem: uitkeringsfraude is bijvoorbeeld eenvoudiger op te lossen dan opwarming van aarde
  4. Erkenning van het probleem door poortwachters: als de media, politici, adviesorganen, hoge ambtenaren en/of pressiegroepen een probleem serieus nemen, zal het sneller geagendeerd worden
  5. De ruimte op de politieke agenda: hoe meer problemen zich gelijktijdig aandienen, hoe groter de kans dat politici een onderwerp (op dat moment) laten liggen

Om tijdens de beleidsvoorbereiding de meest effectieve en efficiënte maatregelen te bedenken, moet het probleem geanalyseerd worden: Wat zijn de oorzaken? Welke oplossingen zijn er? Wat kosten de alternatieven?

In deze (sub)fase proberen lobbyisten van pressiegroepen en adviesorganen, gevraagd of ongevraagd, de plannen te beïnvloeden.

Heeft de minister een keuze gemaakt, dan worden ambtenaren aan het werk gezet om beleidsnota’s en wetsvoorstellen te formuleren die voldoende draagvlak hebben in het parlement.

Beleidsbepaling à nadat een wens pof probleem in omgezet on een concrete maatregel, wordt het voorstel soms aangepast, maar uiteindelijk komt het tot een stemming.

De verschillende fracties maken daarbij de volgende afwegingen:

  • Is het wetsvoorstel effectief en efficiënt?
  • Stemt het wetsvoorstel overeen met het eigen partijprogramma?
  • Levert voor –of tegenstemmen een conflict op met coalitie –of oppositiepartijen?
  • Kan steun voor het wetsvoorstel rekenen op goedkeuring van (toekomstige) kiezers?

De output of uitvoer omvat alle genomen maatregelen tijdens de fase van de omzetting, dus alle wetten, AMvB’s, Koninklijke besluiten en andere beslissingen. Maar onder output verstaan we ook alle handelingen die voortkomen uit deze wetten.

als politici een besluit hebben genomen en het is uitgevoerd, dan betekend dit niet vanzelfsprekend dat het probleem is verdwenen. In de fase van terugkoppeling of feedback wordt gekeken of en in hoeverre een probleem is opgelost.

Terugkoppeling of feedback biedt het politieke systeem, dus de mogelijkheid om te leren van het verleden en besluiten aan te passen aan reacties van bevolking.

6.2

Barrière: (hobbel) tegenslagen (=problemen) tijdens een proces

De 4 fases van het barrièremiddel:

  • De 1e fase: het herkennen en erkennen van problemen, wensen en behoeften in de samenleving. In deze fase spelen pressiegroepen, de media en politieke partijen een belangrijke rol. Als zij een kwestie niet belangrijk genoeg vinden, wordt bhet niet als politiek probleem (h)erkend
  • De 2e fase: het vergelijken en afwegen van behoeften, wensen en problemen in de politiek. Welke kwestie(s) in de betrokken politieke organen geagendeerd en besproken worden en welke niet, heeft te maken met politieke machtsverhouding. Ook spelen belangen een rol
  • De 3e fase: In opdracht van ministers formuleren ambtenaren wetsvoorstellen. zij moeten daarbij formuleringen vinden die de meerderheid van de volksvertegenwoordigers ondersteund. Actie –en belangengroepen proberen de betrokken politici en ambtenaren te beïnvloeden. Gevaar à plannen afgezwakt politici ideeën niet meer terugvinden instellingen
  • De 4e fase: uitvoering van regels en wetten. Als de nieuwe wetgeving onduidelijk of onzorgvuldig is geformuleerd of als de bevolking de wet onaanvaardbaar vindt, ontstaat er een probleem. Problemen bij uitvoering leiden in het algemeen tot zogenoemde ‘reparatiewetgeving’ of tot een nieuwe cyclus van het proces van besluitvorming over de kwestie.

6.3

We onderscheiden 6 omgevingsfactoren:

  • Economische factoren
  • Culturele factoren
  • Demografische factoren
  • Geografische factoren
  • Technologische factoren
  • Sociale omstandigheden

We onderscheiden 3 internationale omgevingsfactoren:

  • Internationale organisaties (NAVO, EU)
  • Internationale verdragen (rechten van mens, vluchtelingenverdrag Geneve, VN-millenniumdoelstellingen)
  • Internationale ontwikkelingen (globalisering, klimaatverandering)

7.1

1951 à Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS)

1957 à Europese Economische Gemeenschap (EEG) : Benelux, Frankrijk, West-Duitsland, Italië

1992 à verdrag Maastricht à Europese Unie (EU) 28 landen

Europese Unie (EU)
Dagelijks Bestuur Europese Commissie, voorzitter: Juncker 28 commissarissen (ieder EU land 1) uitvoerend orgaan van de EU
Besluiten Raad van de Europese Unie, vakministers. Besluiten met gekwalificeerde meerderheid (= stem grote landen zwaarder, kleine landen)
Gekozen Het Europese Parlement 751 zetels NL: 26 2 taken: medewetgevende en controlerende
Rechtelijke macht Europese hof van justitie

 

Europese Raad: als ministers in raad van Europese Unie geen besluit krijgen, komen de ministers in de Europese raad bij elkaar. Hakt knopen door à consensus

Doelstellingen van de EU:

  • Uitvoeren van gemeenschappelijk economisch beleid à 1 europese markt: vrij verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal
  • Ontwikkelen van een gemeenschappelijk buitenlands en justitieel beleid à 1 immigratiebeleid
  • Samenwerken op monetair gebied à Euro, Europese Centrale Bank (ECB)

8.1

Links ————–> Rechts
polarisatie
Progressief (=vooruitstrevend) Conservatief (=behoudend)
Preventie (=voorkomen) Repressie (hard aanpakken)
(‘mens is goed’) (‘mens is slecht’)
Gelijkwaardigheid (socialisten) Naastenliefde (confessioneel) Vrijheid (liberaal
Actieve overheid Aanvullende rol overheid Terughoudende overheid
Zwakkeren helpen Ongelijkheid is prima
Midden

Ontideologisering: het verdwijnen van de ideologie als leidraad voor het (politieke) leven

Pragmatische partijen: hebben geen vaste uitgangspunten of principes (vb: D66)

Populistische partijen: keren zich tegen ‘het politieke establishment’. (vb: PVV)

8.2

Politieke stroming: het geheel van bepaalde ideeën en de groep mensen die zich verenigt heeft rondom die ideeën

Liberalisme à individuele vrijheid en rechten (VVD)

Het liberalisme heeft 4 belangrijke uitgangspunten:

  • Economische vrijheid: vrije marktwerking, particulier initiatief
  • Politieke vrijheid: volkssoevereiniteit, staatmacht op wil van volk
  • Het principe van de rechtstaat: juridische gelijkheid, niet sociale gelijkheid
  • Rationalistisch individualisme: ieder burger rationeel handelend wezen

Socialisme à komt uit communisme. Gelijkheid (PVDA, SP)

Het socialisme heeft 3 belangrijke uitgangspunten:

  • Sociaaleconomische gelijkheid: politieke gelijkheid mogelijk bezittingen niet te ver van elkaar liggen
  • Nadruk op tegenstelling kapitaal-arbeid: communisme à alles van staat. Socialisten: sociale wetgeving = kapitalisme door menselijk gezicht
  • Het principe van verzorgingsstaat: gelijkheid en solidariteit à actieve rol overheid

Confessionalismeà christelijk geloof, naastenliefde, harmonieuze samenwerking (CDA,SGP)

Christendemocraten hebben als belangrijkste kenmerken:

  • Harmonie: ‘organische staatsopvatting’ (=samenleving vergelijken met menselijk lichaam, zonder bepaalde delen kan je niet goed functioneren, alles maakt een deel uit een groter geheel)
  • Rentmeesterschap: taak van mens om als goede beheerder (rentmeester) te zorgen dat de aarde leefbaar en ongeschonden blijft
  • Het principe van gespreide verantwoordelijkheid
politiek-maw

9.1

Knelpunten in huidige politiek:

  • Geen gekozen minister president: kiezer minder invloed beleid in land, wij kiezen alleen gedeeltelijk wetgevende macht
  • De dictatuur van het regeerakkoord: regering + 2e Kamerleden van coalitiepartijen vast aan regeerakkoord. Alle afspraken gedetailleerd vastgelegd, door deze dwang weinig diepgang debatten
  • De ongelijke toegang tot de politiek: Voor goed functionerende democratie volksvertegenwoordigers uit alle sociale lagen in parlement. Alleen hoogopgeleiden, moeilijk vakjargon
  • Afnemende invloed van het parlement: machtsverhouding regering parlement minder macht
  • Afnemende autonomie door internationale samenwerking: Nederland afhankelijker geworden, door EU neemt autonomie (=zeggenschap land) af

9.2

Lage opkomstpercentage is om een aantal redenen ongewenst:

  • Slechte afspiegeling bij bevolking: mensen wel stemmen à hoogopgeleide mannen, krijgen hoger invloed dan laagopgeleiden of vrouwen
  • Slechte representativiteit bij gekozen bestuur: representatief bestuur = dat de standpunten en voorgenomen beleid van de gekozen vertegenwoordigers een afspiegeling vormen van wat de burgers willen
  • Slechte legitimiteit: bestuur niet representatief, burgers aanvaren bestuur niet langer als gerechtigd om beslissingen te nemen waar zij zich aan moeten houden

De lage politieke participatie komt door:

  • Desinteresse: een politiek passieve houding: (heeft toch allemaal geen zin ‘om te stemmen, enz..’) leefomgeving: mensen om je heen politiek wel/niet interessant. Onbekend met ‘spelregels’ van politiek. Gebrek aan zelfvertrouwen: ‘ze luisteren toch nooit naar mensen zoals ik’
  • Politieke participatie: denk aan demonstreren, lid van een partij of pressiegroep.
  • Het belang van participatie: is belangrijk voor het goed functioneren van een democratie. Electorale participatie à directe invloed verdeling macht, vorming regering. Niet-electorale participatie à vooral belangrijk voor politieke agenda
Electoraal Niet-electoraal
-Actief lidmaatschap van een politieke partij -Actief lidmaatschap van een pressiegroep
-Stemmen bij verkiezingen -Actievoeren (demonstratie, petitie)
-Deelnemen aan verkiezingscampagne -Je mengen in het publieke debat
-lobbyen of contact leggen met politiek betrokkenen

9.3

Om de afstand tussen burgers en politiek te verkleinen kunnen de volgende maatregelen worden genomen:

  • Referendum: burgers kunnen maar 1 keer per 4 jaar stem uitbrengen, wat daar tussen gebeurd hebben ze geen invloed op met een referendum zou je de burgers dus meer een stem kunnen geven. Nadelen: sommige vragen moeilijk met je/nee te beantwoorden ook zijn er ook moeilijke onderwerpen
  • De afschaffing van de Eerste Kamer: de eerste kamer controleert vaak kort de wetten en hebben vaak niet de deskundigheid om de wetten goed te oordelen. Vaak stemmen ze hetzelfde als de Tweede Kamer. Daarmee wordt de waarde van de kamer van reflectie uitgehold.
  • De invoering van kiesdrempel: kiesdrempel zorgt ervoor dat er minder partijen in het parlement vertegenwoordigd zijn, waardoor debatten korter en levendiger zijn. Tegenstander vinden à representativiteit belangrijk, alle stemmen worden gehoord
  • Gekozen premier: door premier rechtstreeks te kiezen à burgers meer invloed op samenstelling kabinet. Bezwaren à huidige staatsbestel parlement vertrouwen opzeggen in premier, premier niet door volk gekozen. Daarnaast is een verhoging van de politiek betrokkenen niet gegarandeerd
  • Uitbreiding parlementaire bevoegdheden: in democratie politieke primaat bij volksvertegenwoordiging. In NL à regering meer macht dan volksvertegenwoordiging. Ministers kunnen wetten weigeren (gebeurd zelden) ontnemen van die bevoegdheid zou het parlement meer macht geven
  • Invoering meerderheids –of districtenstelsel: Nederland à evenredig kiesstelsel. Districten stelsel of meerderheidsstelsel geeft een sterkere band tussen kiezer en gekozene