Thema’s Maatschappijleer: Parlementaire democratie

Datum 7 april 2016
Uploader Charlie
Niveau VWO
Methode Thema's Maatschappijleer

Een samenvatting van Thema's Maatschappijleer Parlementaire democratie voor het VWO.

Samenvatting downloaden of printen
Stuur jouw samenvatting
Inhoud

1 wat is politiek?

1.1 Het belang van politiek

politiek is de wijze waarop een land bestuurd wordt. De meeste onderwerpen in de politiek zijn van algemeen belang, iedereen heeft er direct mee te maken. Het grootste dilemma voor de politiek: kiezen we voor een doelmatig resultaat, efficiënt besturen, of voor een proces van democratische besluitvorming met een zorgvuldige afweging van de verschillende belangen, maximale participatie.

1.2 Dictatuur

Bij een dictatuur bepalen machthebbers zelf wat het beste is voor de mensen. Kermerken:

  • Geen trias politica;
  • Beperkte individuele vrijheid;
  • Overheidsgeweld; het gaat met harde hand. Politie en leger;
  • Geen onafhankelijke rechtspraak;
  • Censuur van de overheid;

Er zijn twee soorten dictaturen

  • Autocratisch dictatuur: één leider aan de macht, wordt soms geholpen door een junta: een regering met vooral militairen. Geen ideologie
  • Totalitair dictatuur: een macht met een ideologie: macht met een idee/doel. Er is indoctrinatie: de bevolking wordt verteld wat de partijideologie is, iedereen moet zich daaraan houden. Bij theocratie is godsdienst de ideologie.

1.3 Democratie

Bij een democratie regeert het volk, indirect. In een referendum is er een volksstemming over een bepaald wetsvoorstel. Dat gebeurt nu bijna niet meer. Kenmerken:

  • Representatieve democratie: het volk kiest vertegenwoordigers die beslissingen nemen over een bepaald wetsvoorstel;
  • Individuele vrijheid;
  • Politieke grondrechten;
  • Politie en leger hebben beperkte bevoegdheden;
  • Onafhankelijke rechtspraak;
  • Persvrijheid;

Er zijn twee stelsels voor een democratie:

  • Parlementair stelsel: het parlement heeft de hoogste macht. Er wordt een kabinet gevormd, ministers en staatssecretarissen. Er is meestal een niet-gekozen staatshoofd van wie de macht beperkt is door de grondwet. Als dit een koning(in) is spreek je van een constitutionele monarchie.
  • Presidentiële democratie: het volk kiest het parlement én de president. Als de president een grote macht heeft, spreek je van een presidentieel stelsel. Hij staat aan het hoofd van de regering en kan ministers benoemen en ontslaan. Om de macht te beperken heeft hij geen ontbindingsrecht, het recht om het parlement te ontbinden.

2 politieke stromingen

2.1 Ideologieën

Er zijn drie ideologische politieke stromingen: liberalisme, confessionalisme en socialisme. Ideologie: een samenhangend geheel van ideeën over de mensen en de gewenste inrichting van de samenleving. Er zijn drie aspecten:

  • normen en waarden;
  • sociaaleconomische verhoudingen: wat is een rechtvaardige verdeling van welvaart?;
  • machtsverdeling.

2.2 Kompas om te kiezen

Progressief: vooruitstrevend, verandering en gezicht op de toekomst. Conservatief: behoudend op heden en verleden. Soms willen conservatieven veranderingen terugdraaien: reactionair. Links: gelijkwaardigheid (in onderwijs, werk en inkomen). De overheid moet hierbij de zwakkeren beschermen, actief. Rechts: vrijheid en eigen verantwoordelijkheid. De overheid moet zich passief instellen, alleen optreden wanneer het echt nodig is. Bij het politieke midden hoort gezamenlijke verantwoordelijkheid van burgers en overheid.

2.3 Stromingen

Soorten stromingen:

  • Liberalisme: wat goed is voor het individu is goed voor de maatschappij. Mensen zijn niet gelijk, wel gelijkwaardig. Vrijheid en individuele verantwoordelijkheid. VVD, D66.
  • Socialisme: vrijheid en gelijkwaardigheid als mensen gelijke kansen hebben. Solidair: de sterkte, de meeste lasten. Iedereen moet gelijk zijn. PvdA, GroenLinks, SP.
  • Confessionalisme: politieke opvattingen volgens het geloof. De mens moet zich richten op de ideeën van god. Organische staatsopvattingen: de samenleving is als het lichaam. Iedereen is van elkaar afhankelijk en kunnen alleen in onderlinge samenhang functioneren. Harmonie, solidariteit, gespreide verantwoordelijkheid en rentmeesterschap: goed voor de aarde zorgen die god heeft gemaakt. De overheid moet zich bezighouden met maatschappelijk middenveld. ChristenUnie, CDA.
  • Populisme: het niet een echte ideologie. Het wil vooral de stem van het volk laten horen: ‘vox populi’. Komt op voor de eenvoudige burger die wiens belangen ondergeschikt blijven door grote groepen. Daadkrachtige oplossingen: kwesties versimpelen en de makkelijkste uitweg kiezen. Ze zijn ook

3 politieke partijen

3.1 Soorten partijen

Een politieke partij bestaat uit een groep mensen met dezelfde ideeën. Naast ideologische partijen zijn er ook populistische, one-issue,  richten ok één aspect, en protestpartijen, hebben onvrede met de bestaande politiek.

3.2 functies

Partijen vervullen een aantal taken:

  • Integratie van ideeën: opvattingen van mensen;
  • Informatie: komt standpunten te weten, zodat je een eigen mening kan vormen;
  • Participatie: als politieke partij zelf deelnemen.
  • Selectie van kandidaten: lijsten van kandidaten maken op te kiezen.

4 Verkiezingen

4.1 hoe kiezen wij?

Vanaf 18 jaar heb je actief, stemrecht, en passief, gekozen worden, kiesrecht. We kiezen vertegenwoordigers op verschillende niveaus: het Rijk (tweede kamer), de provincie (Provinciale Staat) en de gemeente (gemeenteraad). Ook kiezen we de waterschappen, die zorgen voor de waterhuishouding. Ook zijn er verkiezingen voor het parlement. Het Nederlandse kiesstelsel is gebaseerd op evenredige vertegenwoordiging: alle stemmen worden verdeeld over het aantal zetels. Er wordt uitgegaan van een kiesdeler: de hoeveelheid stemmen die je nodig hebt om één zetel te krijgen. Soms is er een kiesdrempel: een minimaal percentage stemmen om mee de kunnen delen in de zetels. Anders komen er heel veel verschillende partijen. Een ander stelsel is het districten- of meerderheidsstelsel: per district wordt één vertegenwoordiger gekozen voor in het parlement. Dit zorgt er wel voor dat de overige stemmen in een land niet meer tellen. Opiniepeiling: welke partij voor staat bij een bepaald onderwerp.

4.2 na de verkiezingen

Een dag na de verkiezingen begint de formatie: een nieuw kabinet (ministers en staatsecretarissen). Bijna nooit gebeurt dan één partij de meerderheid heeft, daarom moet er een coalitie komen, een combinatie van partijen die samenwerken op bestuurlijk niveau. Een informateur kijkt welke partijen een kabinet willen vormen dan steun krijgt in de kamer. Die partijen moeten onderhandelen over de hoofdlijnen in het te voeren beleid. De afspraken komen in een regeerakkoord. De formateur vormt dan het daadwerkelijke kabinet en de koning benoemt de ministers en staatsecretarissen. Het regeerakkoord wordt aangepast bij de troonrede. Ook wordt dan de miljoenennota aangeboden. De Tweede Kamer debatteert dan over de plannen tijdens de algemene beschouwing.

4.3 de val van het kabinet

Een kabinet kan door verschillende redenen uit elkaar vallen:

  • De ministers worden het niet eens over een kwestie en de partijen besluiten dat het niet verder gaat. er wordt dan een vervroefde verkiezing gehouden. De oude ministers blijven in functie totdat er een nieuw kabinet is gevormd: demissionair kabinet.
  • De meerderheid in de Tweede Kamer wil een beleid aanpassen van het kabinet en de ministers passen het beleid niet aan.
  • De vier jaar is over en er worden nieuwe stemmingen gehouden.

5 regering en parlement

5.1 de regering

Het kabinet: ministers en staatsecretarissen. Regering: koning(in) en ministers. De regering is verantwoordelijk voor het dagelijks bestuur in ons land. de koning bemoeit zich niet actief. Beleidsvoornemens worden besproken in de ministerraad: gezamenlijke vergadering van ministers. De voorzitter is de premier: minister-president. Bijna alle ministers hebben een eigen ministerie, als een minister dat niet heeft is het een minister zonder portefeuille. Taken van de koning:

  • Ondertekenen van wetten;
  • Voorlezen van de troonrede;
  • Benoemen van ministers;
  • Overleggen met premier over kabinetsbeleid;
  • Lintjes knippen.

De troonrede kijkt terug op het afgelopen jaar.

5.2 het parlement

Parlement bestaat uit de eerste en tweede kamer: Staten-Generaal. De tweede kamer maakt samen met de regering wetten en keurt ze goed. Ook controleren ze de regering. De tweede kamer heeft een aantal rechten voor wetten:

  1. Stemrecht: wetsvoorstellen aannemen of verwerpen.
  2. Recht van amendement: wetsvoorstellen wijzigen en daarna aannemen.
  3. Recht van initiatief: wetsvoorstellen indienen.
  4. Budgetrecht: plannen moeten in een budget worden vastgelegd. Deze wordt door de regering ingediend. De tweede kamer keurt het goed, wijzigt of verwerpt.

Ook heeft de tweede kamer een aantal rechten voor het controleren van ministers:

  • Recht van motie: ministers oproepen bepaalde maatregelen te nemen of met een wetsvoorstel te komen. Het kabinet hoeft een motie niet uit te voeren.
  • Vragenrecht: de tweede kamer mag vragen stellen aan de regering.
  • Recht van interpellatie: Kamerleden mogen een spoeddebat aanvragen met een minister of staatssecretaris over een onderwerp waar hij zich zorgen maakt.
  • Recht van enquête: de tweede kamer mag zelf een onderzoek instellen tegen de regering of overheid.

De eerste kamer, senaat, heet 75 leden. Ze worden gekozen door de leden van de provinciale staten. Ze mogen alleen wetsvoorstellen aannemen of verwerpen. Ze hebben stemrecht, recht van interpellatie en enquête.

5.3 van wetsvoorstel tot wet

Hoe komt een wet tot stand?

Wetsvoorstel tot wet

Bij koninklijke besluiten is er een besluit zonder de eerste en tweede kamer erbij. Zoals bij een algemene maatregel van bestuur: regering besluit over regels binnen een bestaande wet.

Dualisme betekent dat er een duidelijke taakverdeling is tussen regering en parlement.

6 politiek in de praktijk

6.1 het systeemmodel

Het systeemmodel is een hulpmiddel om te begrijpen hoe de politieke besluitvorming werkt. Het bestaat uit vier fasen:

  1. Invoer of input: er komen allerlei wensen en eisen naar voren. Politieke partijen kunnen hierover gaan debatteren. Dit kunnen ze doen in een spoeddebat, de minister geeft dan meteen maatregelen. Samen met de massamedia en pressiegroepen worden politieke partijen poortwachters van de democratie genoemd, zij hebben de mogelijkheid wensen uit de samenleving te vertalen in politieke eisen.
  2. Omzetting: bestuurders moeten de vertaalslag maken naar beleid. Ambtenaren onderzoeken het onderwerp en schrijven advies: beleidsvoorbereiding. De minister gaat samen met zijn ambtenaren een wetsvoorstel maken. De voorstellen worden besproken in het parlement: beleidsbepaling.
  3. Uitvoer: als het besluit is genomen wordt het uitgevoerd. Ook de financiering wordt geregeld door ambtenaren. In deze beleidsuitvoering blijft de minister eindverantwoordelijk.
  4. Terugkoppeling: uit terugkoppeling of feedback kunnen politici afleiden of het beleid het gewenste effect heeft gehad. Zo niet kunnen ze via debatten worden bijgesteld.

6.2 politieke actoren

Alle individuele personen die betrokken zijn bij het politieke besluitvormingsproces noem je politieke en maatschappelijke actoren. In het politieke debat zijn dus niet alleen de politici bezig. Als zij aan dit debat onttrekken, zijn ze niet democratisch bezig en treden zij in feite op als autocratische bestuurders.

Ambtenaren

Ambtenaren houden zich bezig met beleidsvoorbereiding, beleidsbepaling en beleidsuitvoering. Beleid: de bewuste inzet van middelen om een beoogd doel te realiseren. Vanwege hun invloed worden ze ook wel de vierde macht genoemd.

Adviseurs

De regering kan ook een beroep doen op adviesorganen:

  • Raad van state: deze wordt voorgezeten door de koning. Vaak vervult de vicevoorzitter de rol als voorzitter. De leden zijn juristen en oud-politici. Ze worden benoemd door de regering. De raad van state beoordeeld alle wetsvoordstellen, voorstellen tot algemene maatregelen van bestuur en voorstellen tot goedkeuring van verdragen.
  • Sociaal economische raad (SER): dit zijn 33 leden uit werknemers- en werkgeversorganisaties. De overige zijn ‘kroonleden’ die door de regering worden vernoemd. Ze adviseren de regering over het sociaaleconomische beleid.
  • Wetenschappelijke raad voor het regeringsbeleid (WRR): wetenschappers die door de regering worden benoemd.
  • Centraal plan bureau (CPB): het is een onderzoeksinstituut dat analyses maakt van het economische beleid van de regering. CPB is onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken.

Wat kunnen burgers doen?

Burgers kunnen via vele manieren bestuurders bereiken. Ook is er het burgerinitiatief: een wetsvoorstel van een individuele burger, dat onder bepaalde voorwaarden in de tweede kamer moet worden besproken.

Pressiegroepen

Pressiegroepen: groepen die druk uitoefenen op politici om ze voor hun standpunt te winnen. Dit kan door lobbyen: via persoonlijk contact proberen steun te krijgen voor je stanpunt. Er zijn twee soorten pressiegroepen:

  • Belangenorganisaties: komen op voor belangen voor groepen in de samenleving. Deze heten sociale partners omdat de regering in overleg met organisaties haar beleid vormgeeft.
  • Actieorganisaties: zetten zich in voor een bepaald onderwerp. Is dit van korte duur heet het een actiegroep.

Media

De media vervullen onze samenleving in vijf politieke functies:

  1. Informatieve functie
  2. Agendafunctie: waar de media over praat gaat het vervolgens ook over in de politiek.
  3. Commentaarfunctie
  4. Spreekbuisfunctie: ze geven politici ruimte om op tv te komen.
  5. Controlerende functie: ze kijken of politici het goed doen, ze worden geholpen door wet openbaarheid van bestuur. Deze wet zorgt dat de overheid alle informatie openbaar moet maken.

De overheid stimuleert hierdoor pluriformiteit van de media: er blijft voldoende keuze tussen verschillen soorten media zodat alle meningen belicht worden.

6.3 omgevingsfactoren

Er spelen in politiek altijd omgevingsfactoren, ze zijn niet direct onderdeel van een probleem maar beïnvloeden wel, mee:

  • Demografisch: bevolkingsopbouw Economisch    Internationaal: uitbreiding EU
  • Ecologisch: mens en milieu Technologisch: ontwikkelingen
  • Cultureel: geschiedenis, normen en waarden Sociaal: verdeling in klassen

7 provincie en gemeente

7.1 decentralisatie

Nederland is een gedecentraliseerde eenheidsstaat, niet over het hele land maar het rijk, provincie en gemeente. Omdat elke provincie/gemeente eigen specifieke problemen heeft die niet voor het hele land gelden. Ook omdat inwoners van verschillende provincies/gemeenten meer mogelijkheden hebben om hun democratische rechten in praktijk te brengen.

7.2 de provincie

Elke vier jaar zijn er per provincie verkiezingen voor de provinciale staten. De gedeputeerden worden voorgedragen door de partijen in de provinciale staten, die samen een coalitie hebben gevormd. De voorzitter van zowel de provinciale staten als de gedeputeerde staten is de commissaris van de koning(in).

7.3 de gemeente

De gemeenteraad neemt de belangrijkste beluisten. Ze worden elke vier jaar gekozen. Het dagelijks besuur van de gemeente is van het college van burgemeester en wethouders. Dualisme: de gemeenteraad controleert BW.

7.4 decentraal in praktijk

Provincies en gemeenten hebben een bestuurlijke autonomie, ze zijn vrij een ander bestuur. Toch zijn ze gebonden aan wat in Den Haag wordt beslist. Bijvoorbeeld gaat de minister over het asielbeleid en de burgemeester over de politie.